
Homilie Pater Paul De Bois 14 mei 2026 : Hoogfeest van O.L.H. Hemelvaart
Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop. Daar ben ik van ondersteboven.
+
Het feest van de Hemelvaart van de Heer wordt gevierd in de Paastijd.
Natuurlijk, want het vormt met het Paasfeest een eenheid en het laat zien wat eigenlijk bedoeld wordt met verrijzen.
Verrijzen is ‘naar de hemel varen’. En ‘naar de hemel varen’ is totaal één worden met God. Verrijzen is totaal één worden, totaal één zijn met God.
Één zijn met God en God is in de hemel … misschien is het een spontane reactie dat we dan “naar boven kijken”. Jezus’ leerlingen doen het ook. We beluisterden dat in de eerste lezing (Handelingen van de Apostelen). Ook de Gregoriaanse introïtus bezingt het, we hebben het gehoord aan het begin van de viering: “Viri Galilaei, quid admiramini aspicientes in caelum? Mannen van Galilea, wat staat ge naar de hemel te kijken?”.
Dit gezang heeft niets van het uitbundige introïtus van Pasen of Pinksteren. Het klinkt eerder hoopgevend. Hoop op zekerheid, op betere tijden.
Voor mij is het hoogfeest van Hemelvaart geen afscheidsfeest. Het gaat om de hoop.
In zijn brief aan de Efesiërs schrijft Paulus: “Moge de Geest uw innerlijk oog verlichten om te zien, hoe groot de hoop is waartoe Hij u roept”. Bovendien krijgen we op Hemelvaart een duidelijke opdracht van Jezus mee. Het Evangelie eindigt er vandaag mee: “Gaat dus en maakt alle volken tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hen te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld”.
Maar de apostelen keren naar Jeruzalem terug, naar de bovenzaal. Ze zijn bang voor de Joden; ze zijn er samen en bidden. Zo vertellen het ons de ‘Handelingen van de Apostelen’.
Als ik al deze teksten in mijn hart overweeg … maar ook wanneer ik over deze teksten nadenk, dan is het duidelijk: die teksten hebben nogal wat te vertellen.
Ik wil gewoon enkele gedachten met jullie delen.
Angst … Er is sprake van angst. De leerlingen trekken zich uit het sociale leven terug … omdat ze bang zijn. Maar in die angst gaan ze ook bidden. En dat bidden zegt Teresia van Avila is “de ontmoeting met een vriend waarvan je weet dat Hij er altijd is”. “Zie, Ik ben met u, alle dagen”, zegt Jezus in het Evangelie. Die tijd van angst, die óók de tijd van gebed is, hebben de leerlingen nodig om dat te ervaren: dat Jezus nog steeds bij hen is. Ze moeten niet naar de hemel zitten staren; een beetje als wereldvreemde mensen. Ze moeten de samenleving recht in de ogen kijken. Christenen lopen niet van de realiteit weg. Dat heeft Jezus ook niet gedaan.
Je weet dat de zondagslezingen opgedeeld worden in drie jaarcyclussen A, B en C. Op Hemelvaartsdag spreken ze de Evangelies ieder jaar over getuigen van Jezus en over verkondigen. Paus Leo XIV heeft dat goed begrepen hij ziet het als zijn opdracht: "Ik wil het Evangelie volgen en de vrede prediken”. “La pace sia con voi, Dio ama tutti”, paus Leo’s eerste woorden op het balkon van de Sint-Pieter. “De vrede zij met jullie, God houdt van iedereen”.
We moeten voor de vrede opkomen: vrede in het hart van de mensen; vrede in onze wereld. We moeten aan alle mensen doorgeven waar Jezus voor staat. Hij is liefde. “Jullie moeten elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad”, zegt Jezus heel uitdrukkelijk. Het is de samenvatting van heel zijn boodschap. Ik zou zeggen: beginnen we met liefhebben.
Elkaar liefhebben … dat lijkt gemakkelijker dan het is. Paulus weet dat ook en dus schrijft hij aan de christenen in Efese: “dat de Heilige Geest hun mag verlichten”. Morgen begint de pinksternoveen. Mag ik ieder van u uitnodigen negen dagen lang te bidden dat de Heilige Geest ons hart en ons verstand mag verlichten? Een negendaags gebed dat uitmondt in de Sequentie van Pinksteren: “Kom, o Geest des Heren, kom. Kom wees in de harten licht. Zonder uw geheime gloed is er in de mens geen goed … sta ons met uw liefde bij”.
In diezelfde sequentie wordt ook gezongen: “Licht dat vol zegen is, schijn in onze duisternis.”
Ik keer ook vandaag terug naar de donkere kerk van de paasnacht. We hebben de brandende paaskaars binnengedragen in de duisternis. We hebben het Licht, Christus, bejubeld als onze hoop in alle duisternis. Heel de paastijd lang, tot en met Pinsteren brandt de paaskaars hier vooraan.
Een oproep om in Christus, in de verbondenheid met de Verrezen Heer , de hoop nooit op te geven. Nooit! Oorlog en geweld, corruptie, een aantal wereldleiders voor wie mensenlevens niets waard zijn … het is allemaal om ons heen. Hemelvaart geeft ons een duidelijke opdracht : overal in de wereld getuigen zijn van Jezus Christus en zo hoop brengen bij alle mensen!
Charles Péguy (1873-1914) beschreef het in zijn beroemd geworden gedicht “Het kleine meisje hoop”.
Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop.
Daar ben ik van ondersteboven.
Ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat
en ze geloven dat het morgen allemaal omslaat.
Wat een wonder is er niet voor nodig
dat zij dat kleine hoopje hoop nooit als overbodig ervaren
maar met voorzichtige gebaren
in hun hand en in hun hart bewaren,
een vlammetje dat keer op keer weer
wankelt en dreigt neer te slaan
maar altijd weer weet op te staan,
en nooit wil doven.
Geloof, dat verwondert me niet.
Liefde, dat is geen wonder.
Maar de hoop, dat is haast niet te geloven.
Ikzelf, zegt God, ik ben ervan ondersteboven.
Lees meer artikels.

