
Homilie Pater Roeland Van Meerssche 22 februari 2026 : 1ste zondag van de Veertigdagentijd A
Want ook wij worden gedreven door de H. Geest en dan hoeven we niets meer te vrezen.
Broeders en zusters,
Dit evangelie sluit onmiddellijk aan bij het evangelie dat we hoorden op het feest van het Doopsel van de Heer. Nadat Jezus gedoopt was door Johannes en Hij de stem hoorde van zijn Vader dat Hij de geliefde Zoon is, wordt hij door de H. Geest naar de woestijn gebracht om zich voor te bereiden op zijn zending.
Dat Jezus de geliefde Zoon van de Vader is, is voor Jezus een zekerheid die niemand Hem kan afnemen, zelfs de Satan niet, horen we vandaag in het evangelie. De H. Geest heeft het Hart van Jezus zo in vuur en vlam gezet dat heel zijn leven er vol van is.
Nu verblijft Jezus in de woestijn. De woestijn is in de Bijbel een plaats om doorheen te trekken, een plaats van leegte. En je kan die leegte door niets anders vervangen. Je wordt geconfronteerd met je basisbehoeften, honger en dorst, je leert je grenzen kennen. Maar de woestijn is ook de plaats van God. Het is doorheen de ervaring van je armoede dat je God leert kennen in zijn trouwe liefde.
Veertig dagen brengt Jezus door in de woestijn. Hij wil zich helemaal laten doordringen van Gods H. Geest. Na zijn woestijnervaring zal Hij dan in de kracht van de Geest zijn zending beginnen en wonderen verrichten.
De woestijn is niet alleen een ontmoeting met God in de stilte van het gebed; het is niet alleen een confrontatie met jezelf; de woestijn is ook de plaats waar men door de Satan op de proef wordt gesteld. En ook daaraan ontsnapt Jezus niet. Maar Jezus is zo verankerd in zijn relatie met de Vader dat de duivel geen schijn van kans heeft. Nochtans wordt Jezus zwaar op de proef gesteld. Eerst probeert de duivel Hem te overhalen van een steen brood te maken om zijn honger te stillen. Daarna belooft hij Hem alle koninkrijken van de aarde op voorwaarde dat Jezus bereid is hem te aanbidden. En tenslotte neemt hij Jezus mee naar de tempel-het huis van God-voor de ultieme bekoring. 'Spring naar beneden, de engelen zullen je wel opvangen'. Maar Jezus breekt niet. Zijn trouw aan de wil van zijn Vader is sterker dan die duivelse beloften.
De Satan probeert dus verdeeldheid te zaaien tussen Jezus en zijn Vader. Het is als het ware hij tot Jezus zegt: 'Kom op voor jezelf. Je hoeft je niet volledig weg te cijferen. Word je eigen baas'.
Broeders en zusters, is dat ook niet de grote bekoring van onze tijd. Leven alsof God niet bestaat. En wordt zijn plaats dan niet onmiddellijk ingenomen door andere goden: geld, succes, macht. En zolang het allemaal goed gaat, stemt ons dat tevreden, maar op het moment dat het tegenzit blijft er niets over dan leegte en chaos.
Jezus toont ons dat het ook anders kan, en dat het echte geluk alleen te vinden is, wanneer we bereid zijn ons leven in de handen van God te leggen en trouw te blijven aan wat Hij van ons verlangt. Daarom is deze veertigdagentijd de geschikte gelegenheid om in de stilte van het gebed te luisteren naar wat God ons vraagt. Het is een tijd waarin we ons weer laten volstromen door de H. Geest om weerstand te kunnen bieden aan de verlokkingen van de 'verdeler'. Wat God van ons vraagt, we zullen het horen in de prefatie, is een grotere toeleg op het gebed en een bijzondere aandacht voor de medemens en vooral voor de armen. En dan wordt deze veertigdagentijd een heilzame tijd. Want ook wij worden gedreven door de H. Geest en dan hoeven we niets meer te vrezen, noch woestijn, noch duivel, ook niet onze eigen zwakheid. Want Jezus is ons voorgegaan. Hij heeft de weg uitgestippeld en in Hem, die ons sterk maakt, kunnen we alles aan. Amen.
