Skip to content

Gebedsavond 9 april 2026 : teksten van Johannes van het Kruis

Gebedsavond 9 april 2026 : teksten van Johannes van het Kruis

De leerlingen waren vervuld van vreugde, Alleluia, 
bij het zien van de Heer, Alleluia. 

Met de leerlingen van Emmaus bidden wij: Blijf bij ons, Heer, want het wordt avond en de dag loopt ten einde. We mogen hier met ons hart bij de Heer zijn, wakend en dankbaar voor zijn altijd werkzame liefde. Wij overwegen de glorierijke geheimen:  

1 Jezus verrijst uit de doden en verschijnt aan zijn leerlingen. Hij staat plots in hun midden, toont hen zijn wonden, schenkt hen zijn vrede. De Heer is hier in ons midden. Zoals Hij doorheen de muren binnenkwam, zo kan Hij ook doorheen onze geslotenheid binnenkomen met zijn vrede. Heer, wij geloven maar kom ons ongeloof te hulp. 

2 Jezus stijgt op naar de hemel: Hij spreekt voor ons ten beste bij de Vader. Hij vroeg dat we in de stad zouden blijven totdat wij met kracht uit den hoge zouden zijn uitgerust. Bidden wij in deze tijd met volharding en eensgezindheid om de Heilige Geest, opdat ons eigen leven en dat van de Kerk vernieuwd zou worden zoals God dit verlangt.

3 De heilige Geest daalt neer over de apostelen en maakt van bange leerlingen vrijmoedige verkondigers, die in staat zijn meer te gehoorzamen aan God dan aan de mensen. Vragen wij om de genade instrumenten van de heilige Geest te mogen zijn. 

4 Maria wordt met ziel en lichaam ten hemel opgenomen. Jezus had gezegd: als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij. In haar hart heeft Maria, als moeder ook ons allen meegenomen naar de hemel. Vragen wij om de genade alles wat wij hier op aarde meemaken te kunnen verdragen en te doorstaan en tegelijk de Vader blijmoedig te danken. 

5 Maria wordt door de heilige Drie-eenheid in de hemel gekroond. Zij zal de kop van de slang verpletteren. Vragen wij haar voor onszelf en voor de anderen: zie naar ons om, zegen ons met Jezus, bewaar ons voor alle kwaad, elke illusie en ieder gevaar. 

 

Johannes van het kruis leert ons God vinden in het geloof en de liefde meer dan in wat wij van God kunnen voelen, kennen of gewaarworden. Hij schrijft:

In dit leven kan men deelachtig worden aan grootse mededelingen van God en aan zijn verheven tegenwoordigheid; zij kan een diepe en voortreffelijke kennis van Hem verwerven, maar toch is dit niet wezenlijk God. Het kan zelfs niet met Hem vergeleken worden. Hij blijft in waarheid voor de ziel nog steeds verborgen. Want ook al ontvangt men verheven mededelingen en al heeft men het gevoel dat Hij aanwezig is, toch vormt dit geen zeker bewijs voor zijn genaderijke tegenwoordigheid. Evenmin is dorheid en afwezigheid van dit alles een zeker teken dat Hij niet in de ziel aanwezig is. Deze dorstende ziel moet haar Bruidegom vinden. In dit leven moet zij voor zover dit mogelijk is zich in liefde met Hem verenigen. Met de druppel die zij van Hem in dit leven kan proeven moet zij haar dorst naar Hem levend houden. Daarom is het goed dat wij haar antwoord geven en haar de plaats tonen waar Hij absoluut zeker verborgen is. Daar zal zij Hem zeker vinden, zo volkomen en genotvol als in dit leven mogelijk is. Dan gaat zij tenminste niet tevergeefs ronddolen. De Zoon van God is samen met de Vader en de heilige Geest op verborgen wijze in de binnenste kern van de ziel aanwezig en wel wezenlijk. In diepe ingetogenheid moet zij tot zichzelf inkeren, zodat alle dingen voor haar zijn alsof zij niet bestonden. Daarom zei Augustinus: Ik vond U niet buiten mij, Heer, omdat ik U buiten mij verkeerd zocht, want U was binnen. Binnenin de ziel is God dus verborgen. U bent wel de mooiste onder alle schepselen, o ziel. U verlangt zo de plaats te kennen waar uw Beminde verblijft, zodat u Hem kunt zoeken en u met Hem verenigen! En nu wordt u al gezegd dat u zelf het vertrek bent waarin Hij verblijft en het toevluchtsoord en de schuilplaats waar Hij verborgen is. Het moet wel een reden tot grote voldoening en vreugde voor u zijn te zien, dat al uw goed en het voorwerp van uw hoop zo dicht bij u is, dat het in u is of beter gezegd dat u niet zonder Hem kunt zijn. Zo zegt de Bruidegom, Gods rijk is binnen in u. Wat wil je nog meer, mijn ziel en wat zoek je nog buiten u? In uw binnenste bezit je uw rijkdom, uw geneugte, uw voldoening, uw verzadiging, uw koninkrijk. Dit toch is uw beminde, naar wie jij verlangt en die jij zoekt. Geniet van Hem en wees blij met Hem in diepe ingekeerdheid, want Hij is u zo nabij. Verlang daar naar Hem, aanbid Hem daar.   

Dan stelt men de vraag: Maar hoe komt het dat ik Hem niet vind en niet ervaar, als Hij die mijn ziel liefheeft in mij aanwezig is? Uw beminde bruidegom is de schat die in de akker van uw ziel verborgen ligt, een schat waarvoor de wijze koopman alles prijsgaf. Om Hem te vinden moet je al het uwe vergeten en je van alle schepselen terugtrekken. Verberg je dan in de binnenkamer van uw geest, doe de deur van uw wil die zich opent naar alle dingen achter je dicht en bid tot uw Vader in het verborgene. Als je zo met Hem verborgen blijft, dan zal je Hem liefhebben en van Hem genieten en in het verborgene zal je in Hem uw vreugde vinden, en wel een vreugde die alles overtreft wat tong of zin jou geven kan. Moed dus, mijn ziel, je bent mooi, je weet dat in uw binnenste op verborgen wijze uw beminde verblijft naar wie je verlangt. In je binnenste zal je Hem dan omhelzen en Hem op affectieve wijze ervaren door de liefde. 

Waar houdt U zich verborgen, Beminde en laat je mij in zuchten achter? Zoals een hert ontvlucht je, nadat je mij gewond hebt. Ik liep en riep U na en U waart spoorloos. Blust Gij dan toch mijn hartstocht, want niemand anders kan die immers stillen. Zien moeten U mijn ogen, want gij zijt er het Licht van, voor U alleen wil ik ze ook maar hebben. Ontsluier mij uw bijzijn. Mijn dood zij het U te aanschouwen in uw schoonheid. Bedenk toch dat de kwelling van de liefde nooit een einde neemt, dan door het bijzijn van de beminde en zijn aanblik. 

Mijn ziel blijft voorbehouden aan Hem; al wat ik heb staat Hem ten dienste. Ik hoed niet meer mijn kudden, neem ook geen andere dienst meer; mijn dienst bestaat alleen nog in beminnen. Doordat U mij beschouwde droegen Uw ogen Uw schoonheid in mij over: daarmee won ik uw liefde, verdienden ook de mijn dat te aanbidden wat zij in U schouwen. 

O eniggeboren Zoon, U bent de hand van de Vader, de hand vol medelijden. Daarmee hebt U mij aangeraakt en daarmee mij gewond. Wat een licht en fijn beroeren bent U, O Woord, Zoon van God. Wegens de fijnheid van uw goddelijk wezen dringt U op subtiele wijze door in de kern van mijn ziel. Door haar op tedere wijze aan te raken neemt U haar geheel op in U. 

Zeg mij O, Zoon van God, U die zo machtig bent, hoe U op zo’n zachte, fijne wijze kan aanraken. Vertel dit aan de wereld, neen, vertel het de wereld niet, want de wereld heeft geen weet van de tedere wind. 

O mijn God en mijn leven! Slechts zij zullen uw zacht aanraken bemerken en ervaren, die vreemdelingen werden voor deze wereld en zacht geworden zijn. 

O tedere aanraking! U ben sterker en machtiger naarmate U tederder bent. Door de kracht van uw tederheid maakt U de ziel los en vrij van alle andere aanrakingen door het geschapene. U eist haar geheel en al op om haar met U alleen te verenigen. Iedere andere aanraking krenkt haar, zo teder is de uitwerking en de nawerking van uw aanraking.  

O Vlam, levend van liefde. Hoe teder verwonde U de diepste kern van mijn ziel! Nu U niet meer zo verschroeiend bent, ga verder ten einde toe.