|
Geschiedenis van 375 jaar biddende aanwezigheid in Ieper Eerste stichting |
|
|
Op 25 september 1623 kwamen onder de leiding van Moeder Isabella van Jezus Christus 13 karmelietessen uit Bourges in Frankrijk te Ieper aan. Ze waren gestuurd door de Nuntius te Brussel en de Infante Isabella, landvoogdes van de Nederlanden. Ze namen voorlopig hun intrek op de Grote Markt bij de Heer Jean-Baptiste Bultheel, een familielid van de karmeliet Jozef Bultheel. Deze had van de Nuntius de opdracht gekregen om voor hen een woning te zoeken in Ieper. Op 7 oktober 1623 konden ze voorlopig hun intrek nemen in een huis rechtover de St. Niklaaskerk. Mgr. de Hennin kwam zelf het H. Sacrament plaatsen in hun kapel. Op 6 februari verhuisden ze naar de De Montstraat in het huis van Kanunnik de Huvettere die zijn huis in een klooster had doen veranderen. Met de tijd konden de karmelietessen verschillende aanpalende huizen aankopen en zo een karmel inrichten. De Ieperse karmelietessen leidden er gedurende 160 jaar een stil leven van gebed en offer tot ze in 1783 door de Oostenrijkse keizer Jozef II uit hun klooster werden verjaagd. Negen zusters namen hun intrek in de Elverdingestraat. De elf anderen werden opgenomen in Franse Karmels. In 1802 probeerde Zuster Marie-Anne van de Drieëenheid de Ieperse karmel terug op te richten. Na verscheidene vruchteloze pogingen vroeg ze in 1813 om opgenomen te worden in de Karmel van Kortrijk. Ze werd één van de stichteressen van de Karmel van Brugge. |
|
|
|
|
Ieper bleef zonder karmelietessen tot op 28 november 1834 onder leiding van Moeder Marie-Joseph van het Kind Jezus acht karmelietessen uit Rijsel zich kwamen vestigen in de Elverdingestraat. Op 4 februari 1835 kochten ze het oude klooster in de St. Jacobsstraat. Dit was bekend onder de naam 'Nonnenboschklooster', eertijds een benedictijnse abdij. De roepingen stroomden er toe en op 7 mei 1846 kon de Ieperse Karmel deze van Oudenaarde stichten. In het begin van de eerste wereldoorlog werd het klooster, zoals geheel Ieper, in puinen gelegd. De zusters vluchtten naar St. Omaars in het Noorden van Frankrijk en trokken daarna zuidwaarts tot Fontenay-le-Comte in de Vendée, waar ze een nieuw klooster bouwden. Ze verlangden niet meer naar Ieper terug te keren en verkochten de puinen en de grond van hun klooster in de St. Jacobsstraat. In 1958 werd de karmel van Fontenay-le-Comte opgeheven. De vijf overblijvende zusters werden in andere karmels opgenomen. |
|
|
Een stad waar sinds het begin van de 17e eeuw karmelietessen gevestigd waren, kon niet lang zonder karmel blijven. Daarom vroeg Mgr. Waffelaert, bisschop van Brugge, en de overste van de Karmelorde aan het klooster van Brugge om de Karmel van Ieper te herstichten. Op 13 april verliet een eerste groep stichteressen Brugge.
|
|
Ze vestigden zich voorlopig te Bellegem-bij-Kortrijk in afwachting dat ze een gepaste woning zouden vinden in de omgeving van Ieper. Ondertussen onderhandelden ze met Senator en Mevrouw Paul van den Peereboom, die een zomerverblijf bezaten in de buurt van Ieper. Het had erg geleden onder de eerste wereldoorlog en Mevrouw wilde er niet meer terugkomen. Daar ze geen kinderen hadden, waren ze bereid het af te staan voor een klooster. Op 4 november 1924 nam de gemeenschap van Bellegem haar intrek op de Frezenberg. Aan het bestaande kasteeltje werden twee nieuwe vleugels en een kapel gebouwd. |
![]() |