|
Historische achtergrond *1622 en 1624: DE ZALIGE ANNA EN DE BEVRIJDING VAN ANTWERPEN
|
|
|
December 1622: Prins Maurits van Nassau poogt Antwerpen in te nemen bij nacht en op een verdekte en geheime wijze.Moeder Anna wordt om middernacht gewekt en aangespoord te bidden. Zij doet dit met opgeheven handen tot aan de morgen toe. De bevrijding wordt toegekend aan het machtig gebed en de voorspraak van “het Moederke van de Rosier”. 13-14 oktober 1624: In deze nacht tijdens een onverwachte aanval van de vijand op de Stad Antwerpen die praktisch zonder verdediging is, wordt Moeder Anna weer op wonderbare wijze gewekt. Op haar beurt wekt zij ook haar communiteit om samen met hen te bidden in het koor. Moeder Anna is zeker dat een groot gevaar de stad bedreigt. En weer is het een storm die het plan van Prins Maurits verijdelt juist op het ogenblik dat hij de citadel van Antwerpen wil bestormen. Allen, vooral de Infante en de soldaten, zijn overtuigd dat ook deze bevrijding van de Stad Antwerpen te danken is aan Moeder Anna van Sint-Bartholomeüs.
Deze dubbele bevrijding werd vastgelegd in een Bisschoppelijk Verslag: |
|
|
*1783: OPHEFFING VAN DE
BESCHOUWENDE KLOOSTERORDEN DOOR JOZEF II |
|
|
2 mei 1783: afkondiging aan de slotpoort van het klooster De commissarissen maakten de inventaris van de roerende en onroerende goederen van het klooster en alles werd ten voordele van de keizerlijke schatkist aangeslagen. Men beroofde de zusters van een prachtige kast welke de koningin Maria de Medicis hen ten geschenke had gegeven toen zij op miraculeuze wijze, door het aanraken van de mantel van Moeder Anna van Sint-Bartholomeüs, genezen was. Mevrouw Louise de France had van Koning Lodewijk XVIe, haar neef, toelating gekregen om de Karmelietessen der Nederlanden, die veiligheid in ballingschap wilden zoeken, in de verschillende kloosters van Frankrijk te ontvangen. Maar zij verzocht hun ook de kostbare lichamen van Moeder Anna van Jezus uit de Karmel van Brussel en van Moeder Anna van Bartholomeüs uit de Karmel van Antwerpen mee te brengen. Moeder Teresia van de H. Augustinus (Louise de France) schreef aan Monseigneur Wellens, bisschop van Antwerpen, en gaf hem kennis van de machtiging die zij van Paus Pius VI bekomen had en waardoor het klooster van Saint-Denis (Reims) in het bezit werd gesteld van de heilige overblijfsels van Anna van Sint-Bartholomeüs. De opgraving van het lichaam had plaats op 26 mei 1783. Op 6 juni kwam Mgr. Wellens het zegel leggen op de nieuwe kist. Op 30 juni moesten de zusters het klooster verlaten. Enkelen gingen naar Reims, anderen naar de kloosters in het Prinsdom Luik of in een klooster te Antwerpen zelf. Het klooster in de Rosier werd door een bijzondere schikking van de Voorzienigheid noch vervreemd noch verkocht zoals het toen algemeen was. Het werd beschouwd als een grondgoed aan de keizerlijke domeinen toebehorend en bleef enige tijd gesloten. Later diende het als kazerne voor de Oostenrijkse troepen, de kerk en de sacristie werden in hooimagazijnen veranderd, de overige gebouwen werden door de soldaten bezet. In 1789 brachten de Staten Generaal de oude wetten en voorrechten terug in voege alsook de godsdienstvrijheid. Zodra het land zijn rust had weergekregen, waren de inwoners van Antwerpen de eersten om aan de herstelling van het klooster te werken. Zijzelf deden een collecte om deze dringende herstellingen te kunnen doen. In de maand oktober 1790 was het klooster voldoende in orde om de zusters terug te ontvangen. Monseigneur de Nelis, bisschop van Antwerpen, herwijdde de Kerk, het altaar, het tabernakel van het herstelde klooster én de nieuwe klokken. |
|
|
*1796:
FRANSE REVOLUTIE |
|
4 augustus 1796: besluit van de raad der Vijfhonderd tot vernietiging van de kloosters, en de aanslag van de goederen. In de maand oktober kwamen de afgevaardigden van de republiek in de spreekkamer. De toenmalige priorin Isabella antwoordde dat alleen geweld hen van deze schuilplaats zou kunnen verjagen. Omstreeks december kwamen de afgevaardigden aan het hoofd van een bende soldaten naar ons klooster om er bezit van te nemen. Sedert het ogenblik dat de kloosterdeur ingebeukt was, nam een commissaris er bezit van. Een huis in de Gasthuisstraat werd aangeboden en tot in de maand maart 1799 bewoonden zij dit huis in grote ellende. Ondertussen werd in 1797 het klooster te koop gesteld door het middenbestuur van het departement der Twee-Nethen. Op aandringen van de Kerkelijke Overheid doet men alle mogelijke pogingen om kerk en klooster te kopen en vier Families samen met Architekt De Wachter hielpen tot de aankoop. Maart 1799 werden de zusters verplicht het huis in de Gasthuisstraat te verlaten, het was onmogelijk geworden om de huurprijs te betalen. Zij vonden een onderkomen in de Korte Clarenstraat, bij de Beurs. 15 Juli 1801: ondertekening van het concordaat. De vervolging verminderde, maar het was pas in 1802, bij de officiële afkondiging ervan, dat de ceremoniën van de godsdienst mogelijk werden. 13 oktober 1801 kwamen zij terug naar het klooster op de Rosier. 1811: het klooster wordt bij notariële akte terug op naam van leden van de gemeenschap geplaatst. |