Inhoud:
1) De Profeet Elia                                              
2) Meditatie: Stem van zachte stilte                        
 

 


 

 

DE PROFEET ELIA

 


Voor de hedendaagse cultuur lijkt weinig nog heilig. Heilige huisjes worden neergehaald. In de postmoderne samenleving heeft  'heiligheid' blijkbaar de smaak gekregen van iets mufs, antieks of extreems. Heiligheid schijnt boven of buiten haar interesse te liggen. Toch willen vele hedendaagse mensen wel graag 'heel' worden, 'heil' of 'geluk' ondervinden en zo genezen worden van innerlijke wonden. Ze verlangen wel naar 'heiligheid', maar hebben van dit woord een voorstelling of invulling die vertekend is. Wie het eerlijk wenst kan echter steeds onbevangen kennis maken met échte heiligheid. En dan is men wel even verwonderd.

 

 

 

Heiligen schudden je wakker

Meestal wordt een heilige een christen genoemd die, op zijn wijze en in zijn tijd, de verbondenheid met een liefdevolle God, de toewending naar de wereld, de toewijding aan mensen hoogstaand heeft doorleefd en van wie de kerk dit uitdrukkelijk heeft bevestigd. Jezus, de Zoon van God, is dé heilige bij uitstek en buiten reeks, zonder zonde, de Heiland. Hij maakt heilig.

Ergens lijken de heiligen allemaal op elkaar. Ze leven niet meer voor zichzelf maar voor anderen. Ze putten niet uit eigen kracht maar vooral uit de genadigheid van God, in het besef van hun beperktheid en armoede. Heiligen geven een signaal. Het hoeft niet dat je hen in alles precies navolgt en ze kunnen best ook een moeilijk karakter hebben, maar ze geven wel een richting aan. « Vurig heb ik geijverd voor God » (1 Kon. 19, 14), getuigt Elia. « De liefde van Christus laat me geen rust » (2 Kor. 5, 14), noteert Paulus. Dit is het geheim van de heiligheid: het radicaal beminnen van God en medemensen, zonder grenzen. Heiligen spreken aan door hun overmaat aan liefde. Ze schudden je wakker, verhelderen je blik en stimuleren je tot een gelovige inzet op jouw niveau. Heiligheid put haar inspiratie en kracht in de sacramenten, vooral de eucharistie en in het stil gebed. Heiligen zijn een geschenk van God aan zijn volk. Ze worden niet voorgeprogrammeerd. Ze zijn als een vuurhaard waarrond verkleumde mensen komen zitten.

Wil je uit de benauwing van deze wereld uitkomen, dan moet je weer luisteren naar heilige profeten zoals Elia. Petrus moedigt je aan: « Voor ons krijgt het woord van de profeten nog meer gezag. Ook jij doet er wel aan daarop acht te geven: het is een lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in je hart » (2 Petr. 1, 19). Heilige profeten vind je altijd daar waar de mens in crisis is, waar hij God dreigt te verlaten. Elia is zo'n wachter bij het keerpunt van de geschiedenis.

In het oude Israël was de tempel, met zijn offers en met alle tekens van heiligheid van de verheven én nabije God, bedoeld als een oproep en een weg naar gebed. Tegen het gevaar in van een te sterk uiterlijke eredienst, was er behoefte aan opvoeding in geloof, aan een bekering van het hart. Dat was de opdracht van profeten zoals de heilige Elia. Zijn heiligheid is aanstekelijk. Hij liet zich door God inpalmen. God werd het merg van zijn leven. Door zijn aanwezigheid alleen al maakt hij je warm voor God.
 

 

Zijn woord brandde als een fakkel

De westerse beschaving maakt een diepe culturele wending mee. Voor christenen betekent dit een uitdaging. Kunnen wij de nieuwe waardevolle accenten van het moderne maatschappelijk leven integreren ? Voor dit ` bij de tijd brengen ' nam paus Joannes XXIII het profetisch initiatief van Vaticanum II. Om een hedendaags katholicisme inhoud te geven zijn grote geloofsgetuigen of identificatiefiguren onmisbaar. Een bijbelse profeet zoals Elia is dat duidelijk Heel nuchter heeft hij in zijn tijd het belang aangevoeld van een reveil voor de joodse godsdienst. Hij voorzag dat Israël doorheen een ballingschap zou moeten gezuiverd worden. Vanuit de bijbel krijg je een persoonlijkheid te zien die je sterk aanspreekt en vertrouwd overkomt. Je merkt zijn warme liefde voor de God van het verbond, zijn verlangen om te bidden in eenzaamheid en stilte, zijn moedig optreden dat machthebbers niet naar de ogen ziet. Maar je voelt wellicht ook verwantschap met zijn angst, kwetsbaarheid, zijn gevoel van vereenzaming en moedeloosheid.

Volgens de joodse traditie behoort Elia tot de « eerste profeten ». Levend in een religieuze crisistijd, is hij een van de boeiendste persoonlijkheden uit het oude Israël. Zijn invloed evenaart die van Abraham, Mozes en David. Zijn optreden situeert zich tussen 870 en 850 v.C. Er zijn een tiental verhalen over hem bewaard: je vindt ze tussen 1 Kon. 17 en 2 Kon. 2, 18. De verhalenkrans is pas definitief voltooid 300 jaar na zijn optreden. In deze groeiperiode wordt hij steeds meer gewaardeerd als een 'tweede Mozes'. Ook daarna blijven die verhalen doorwerken, met sporen daarvan in de bijbel zelf. Zo zal in de eindtijd Elia terugkeren (Mal. 3, 22-24 ; Lc. 1, 17 ; Mt. 17, 12). Jezus Sirach tekent een warm portret: « Toen stond Elia op, een profeet als een vuur en zijn woord brandde als een fakkel » (48, 1-11). De Makkabeeën vereren hem als « ijveraar » (1 Makk. 2, 58). In het huidige jodendom is Elia geweldig populair. Bij bepaalde joodse vieringen laat men een stoel aan tafel vrij, voor het geval Elia die avond terugkomt ! In het NT verschijnt hij samen met Mozes op de « hoge berg » bij de verheerlijking van Jezus (Mt. 17, 3): Mozes vertegenwoordigt daar de wet van het Oude Verbond en Elia al de profeten. Beiden golden als hemelbewoners. Zo wordt duidelijk gemaakt dat Jezus hier op de berg in verbinding staat met de hemel. De weg die hen daarheen geleid heeft, was het lijden. Elia moest het werk van Mozes in het Noordrijk overdoen. Eenzaam en tegengewerkt, zijn ze gebukt gegaan onder hun taak en onder de zondenlast van het volk dat ze naar de vrijheid moesten leiden. In de orthodoxe kerk wordt Elia bijzonder vereerd. De huidige Karmelorde spreekt over Elia als over haar inspirator, leider en geestelijke vader: zijn profetisch charisma staat model voor haar roeping binnen de kerk.
 

 

De ruggegraat van Israël

Plots duikt Elia als profeet in de bijbel op. Hij komt uit Gilead, een streek aan de overkant van de Jordaan. Het Jahwe-geloof heeft zich daar zuiverder doorgezet dan in de rest van Kanaän. « Eli-jahoe » is zijn roepnaam bij de mensen. Meteen ook een belijdenisnaam, want zijn profetische boodschap komt neer op de belijdenis: « Eli-jahoe » of « Mijn God is Jahwe alleen ». Heel zijn strijd tegen de Baälcultus ligt in die naam uitgedrukt. Hij draagt een ruwe profetenmantel en een leren gordel. Elia is niet louter een eenzaat, maar sterk verbonden met de gemeenschappen van Jahwe-profeten. Bij het huidige Haïfa had zo'n profetenkring zijn thuisbasis.

Zijn grote tegenspelers heten koning Achab en koningin Izebel. Wij zijn in het welvarende Noordrijk Israël (9de eeuw v.C.) dat bewust een evenwichtspolitiek voert. Daar komen allianties bij kijken die traditioneel bezegeld worden met een huwelijk. Zo wordt de jonge Achab uitgehuwelijkt aan Izebel, dochter van de koningpriester (van Baal) uit Tyrus en Sidon. Izebel heeft het 'recht' haar eigen godsdienst te beleven. Zo wordt de Badcultus ingevoerd in het ivoren paleis te Samaria, die zich ook sterker onder het volk verspreidt. Achab, die vooral een stedenbouwer is, eet religieus van twee walletjes: een typische opportunist.

De Badcultus floreert. Het is een oude cultus van vruchtbaarheid op alle niveaus. Een jonge god Baal is in een selecte groep van allerlei goden en godinnen zowat de charmeur en de superman. Dat godengroepje heeft met hun intriges en onderlinge strijd de handen vol aan elkaar. De mens is een soort slaaf, die voor vruchtbaarheid van die goden afhankelijk is. In het jahwisme ligt het anders. Er is maar één ware God (Eli-jahoe) en vooral de verbondsrelatie tussen een aandachtige, bevrijdende God en de mensen staat centraal. Officieel zijn beide cultussen gelijkwaardig. Maar 2/3 van de bevolking is op Baal gericht; slechts 1/3 op Jahwe: een minderheid dus die zich niet durft te afficheren uit schrik voor Izebel. Deze legt de heiligdommen van de Jahwecultus plat en laat zoveel mogelijk van zijn profeten ombrengen. Heel wat duiken periodisch onder. Het worden 'maquisards', weerstanders. Zo vind je de profeet Elia in het dal van de Kerit (1 Kon. 17) en later in de woestijn naar de Horeb toe (1 Kon. 19). Elia is zelfs de eerste én grote verzetsstrijder, « Israëls strijdwagens en ruiterij » (2 Kon. 2, 12), de ruggengraat van Jahwe-gezind Israël.

Elia neemt stelling in een belangrijke confrontatie: de frontale botsing tussen de oude landbouwcultuur van Kanaän, waar Baal vereerd wordt en de oorspronkelijke zwerverscultuur van de joden, die Kanaän waren binnengevallen, en die Jahwe als herdersgod hadden. De stellingname van Elia is duidelijk én creatief: geen compromis tussen de twee, maar ook geen afzijdigheid van de beschaving. Hij verruimt het geloof in Jahwe als bevrijder uit Egypte. Jahwe is ook schepper van alle mensen en zegent alles met vruchtbaarheid, het zogenaamd `eigen terrein' van Baal. Voor Elia is Baal gewoon een dubbele nul, lege lucht. Wat van Baal verteld wordt, is van Jahwe gestolen. Bij de lezing van de Eliaverhalen merk je hoe àlle macht over leven en natuur, toegekend aan Baal, overgedragen wordt op Jahwe. Elia keert ook terug naar de bronnen van het volk Israël: het verbond met Mozes op de Sinaï (= Horeb). Was Mozes stichter van het jahwisme, Elia zorgt voor de vernieuwing van dit verbond op de Karmelberg én op de Horeb. Deze topontmoetingen vormen dus in feite een tweeluik.
 

 

 

Breng mij naar het dal van de Kerit

Bij het religieuze duel op de Karmel tussen Elia en de Baalprofeten (1 Kon. 18, 20-40) toont de heilige profeet de waarheid van de Jahwe-eredienst en zijn persoonlijke kwaliteiten. De opslag van dit gebeuren is de profetische boodschap van Elia aan Achab dat het de volgende jaren niet meer zou regenen tenzij op zijn woord. Zo zou de koning zien wie de échte God is, ook van de vruchtbaarheid van land en volk. Een straf dus voor religieus schipperen. Na die stoute, gevaarlijke taal dook de H. Elia onder in het dal van de Kerit, waar het eenzaam was en stil (1 Kon. 17, 1-7). Dicht bij het hart van God, leert hij wat barmhartigheid is en wordt hij voorbereid op een nieuwe profetische zending. Het is het ritme van zijn leven: vanuit inkeer naar inzet. Binnen de Karmelspiritualiteit is het Kerit-verblijf een symbool van de ontvankelijkheid voor de mystieke godservaring. Je wordt ` gevoed ' door het woord en de liefde van God. De Kerit is dus binnen in jou. Je contemplatieve gebed is geen vlucht uit een ontrouwe wereld. Want je wordt voor haar zelfs een bron waar God water doet opwellen voor allen die dorst hebben. Als je je armen in gebed naar God uitstrekt, omhels je tegelijkertijd de ganse wereld. Je gebed zuivert en 'herstelt' ook die wereld in het licht van God. En zelf ga je door de schijn van mensen en dingen heenzien. Voor de kerkvaders is de H. Elia een vurig profeet, « een man van gelijke aard als wij » (Jak. 5, 17) en vooral hét model van wie God zoekt in de stilte van het gebed. Ze herkennen in hem het type van Christus. Elia ondervindt verder hoe God zijn leven en dat van andere gastvrije mensen in stand houdt. Hij leert de weduwe van Sarefat (= Sarepta) (1 Kon. 17, 8-24) het geloof in de werkzaamheid van Gods woord: God wekt op zijn gebed haar kind weer tot leven. Elia leeft, spreekt en handelt duidelijk vanuit God: dat is heiligheid.

Ruim twee jaar duurde zijn ` strategische terugtrekking '. Intussen geen druppel regen. Het land in de wurggreep van de honger. Dan pas ontmoeten de heilige en de koning elkaar opnieuw (18, 1-19). Niet in het paleis waar Achab baas is, maar te midden van het uitgedroogde landschap. Beiden beschuldigen elkaar van « ontwrichting van Israël », omwille van de aanhoudende droogte en de hongersnood. Een patstelling dus, waarbij Elia een doorbraak bewerkt: hij stelt een sacrale rechtsprocedure voor, waarin het volk jury mag zijn. Inzet: wie is in feite God ? Jahwe of Baal ?
 

 

Je bent in tweespalt

Het tijdstip voor deze offerproef valt waarschijnlijk samen met een groot feest van de Jahwe-cultus. Een hoge top van het Karmelgebergte wordt als strafplaats gekozen, omdat de Karmel nog niet ondub-belzinnig aan een van beide cultussen toebehoort. De huidige El-Muhraqa (= offer) maakt een goede kans: dichtbij is er een bron, Bir-el-Mansoera, die ook in droge perioden vloeit (v. 34) en de Kishonbeek ligt aan de voet van de berg (v. 40). In eerste instantie gaat de strijd tegen de `Baal van de Karmel' en zijn aanhang. Maar dit lokale incident wordt in tweede instantie op nationaal niveau getild. Als Achab « alle Israëlieten » bijeenroept, moet je dat met een korrel zout nemen: het is een gewijde liturgische formule voor de « vertegenwoordigers van heel Israël », waarbij je ook pelgrims mag rekenen die anders misschien naar de cultusplaatsen Betel of Sichem zouden gegaan zijn. Na deze koninklijke ` handeling ' treedt Achab op de achtergrond tot na het vonnis (v. 41-46).

Het is de H. Elia die het volk plechtig tegemoet treedt. Hij schetst duidelijk de situatie: het volk heeft religieus een verdeeld hart, het hinkt op twee gedachten, het dient twee meesters, het is in tweespalt, kreupel. De langdurige droogte wordt geduid als een straf van God voor deze religieuze gespletenheid (Ps. 119, 113). Het volk gaat niet in op deze profetische diagnose en zwijgt onbuigzaam.

Moreel-psychologisch gezien staat Elia moederziel alleen op de Karmelberg en ligt de toekomst van het jahwisme in zijn handen. Als een bekwaam volksmenner stelt hij een klare demonstratie voor die onbetwistbaar zal aantonen wie de wàre God, de ` Baas ' is. Een mirakel van vuur heeft geen uitleg nodig: het is er of het is er niet. God zal handelend spreken (dabar) door het neerzenden van verterend vuur. Gods woord is daad; het is performatief. Het doet wat het zegt door zijn profeet. De eerste ronde bij de offerproef wordt aan de Badprofeten toegewezen. Hun dansen is hinken: een rituele dans waarbij in hurkende positie met de knieën diep gebogen, om beurten de voeten door het zand worden gesleept. De verteller herneemt bewust het woord « hinken » (v. 21) om spottend dit rituele gebaar als kreupel gestrompel voor te stellen. Hoe kan dus het volk Israël met zo'n stom hinken de gunst van Bad afdwingen ?
 

 

 

Elia bidt, heelt en zuivert

Elia spot ook met hun rituele woord dat erbij hoort. Hierbij worden allusies gemaakt op de Bal-mythe. De Feniciërs gaven namelijk als nijverige handelaars en zakenlui aan Bad als hun nationale god hun eigen menselijke eigenschappen mee. Bad was een god naar hun maat. Zo stelden ze zich voor dat Bad met hen « op reis » ging naar alle hoeken van de Middellandse Zee. Verder dat hij uit zijn doodsslaap van de winter « gewekt moest worden » in de lente: Badpriesters deden dit tijdens een ceremonie door vuur aan te steken. Elia suggereert hier dat Jahwe verhevener is en altijd en overal tegenwoordig is. Hij wijst het volk op de absurditeit van hun geloof in Bad. In hun smeekritueel gaan de Badprofeten tot het uiterste. Het oosters gebruik het lichaam te kerven tot bloedens toe om het gebed kracht bij te zetten, is in Israël verboden (Lev. 19, 28 ; 21, 5). Hun razernij leidt nergens heen en staat in contrast met het eenvoudig gebed van Elia (v. 36-37). De climax en ironie in het verhaal: Elia zal met zijn offerproef beginnen precies op het moment van het spijs- of avondoffer van de Jahwe-cultus (v. 36), als Bad bewezen heeft dat hij onbestaande is. Elia nodigt het volk uit plechtig met hem cultusgemeenschap te vormen. Hij heelt, herstelt het altaar dat door profetenkringen eerder op de Karmelberg was opgericht, maar daarna gesloopt werd (19, 10.14). Het herstellen van het altaar symboliseert natuurlijk het helen van de zieke, gespleten gemeenschap die Israël is. De 12 stenen verwijzen symbolisch naar de 12 stammen van Jakob. Zo hadden Mozes en later Jozua reeds eerder altaren gebouwd (Ex. 24, 4 ; Joz. 4). Door het graven van een geul grenst Elia, zoals eertijds Mozes, het heilige gebied af voor Jahwe's aanwezigheid onder zijn volk. In totaal 12 (!) kruiken (3 x 4) worden over het offervlees uitgegoten, met als cultische betekenis de reiniging van het offervlees (Ex. 29, 4) ; indirect duidt dit ook de cultische onreinheid van het volk aan dat innerlijk door het badisme besmet is. Als ondertoon speelt natuurlijk mee: hoe groot is Jahwe's kracht als Hij zich straks openbaart in vuur, ondanks al dat water !

Het eenvoudig en kort gebed van Elia is treffend. Hij roept de Naam van Jahwe uit. Hier klopt het hart van Israëls eredienst. De gemeenschap wordt geplaatst onder de heilbrengende aanwezigheid van een machtige God. Er is herinnering hierbij aan Abraham, Isaak en... Israël (!). De aanroeping herinnert ook aan de godservaring van Mozes bij de brandende doornstruik (Ex. 3, 15). Elia is een nieuwe Mozes: hij bemiddelt hier om het verbond van God met zijn volk te helen, te vernieuwen. Elia noemt zich dienaar, knecht van Jahwe. Vóór de ballingschap is hij de enige die zo over zichzelf spreekt. Pas na de ballingschap wordt de term een eretitel (vaak bij Jeremia) en een latere redactie legt Elia deze titel hier in de mond. Als heilige doet Elia het volk wegkijken van hemzelf. Het doel van de offerproef, de rechtsprocedure, is: duidelijk maken dat Jahwe de ware God is en dat het profetisch spreken van Elia geloofwaardig is. Hij vraagt om bekering van het hart van het volk tot Jahwe van het verbond. Hij is zeker van de verhoring. De ware God heeft geen geroep, geschreeuw of verminkingen van zijn dienaren nodig om aandachtig te luisteren naar hun gebed.
 

 

De ogen gaan open

De verhoring volgt onmiddellijk in een vuurwonder dat het volk de ogen opent. God verteert letterlijk alles. Een rijke symboliek van « God als een vuur » is in de bijbel 'aanwezig'. Jahwe is alles. Bad is stof en as: niets ! Het volk constateert dat Jahwe de overwinnaar is van de cultusstrijd. Mét Elia is het volk nu ook profeet, ziener geworden: het gaat delen in de profetische identiteit van Elia. Het ziet de waarheid van Gods almacht: Hij is meester van àlle leven. Het erkent ook de waarheid van het profetisch woord van Elia (17, 1). De cultus-gemeenschap is enthousiast, vurig geworden: ze valt in aanbidding neer en doet een spontane geloofsbelijdenis. Haar credo is het uitroepen van de naam Eli jahoe (= Elia): « Jahwe is de ware God ». Zo vernieuwt zij haar verbond met God: ze wordt geheeld, geheiligd, weer tot eenheid gebracht uit haar hinken in tweespalt.

De cultusgemeenschap is tegelijk ook rechtscollege. Het doel van de offerproef was immers: het aanwijzen én verwijderen van de oorzaak van de ontwrichting, nl. de ontrouw, de afgoderij van het volk. De Badprofeten blijken leugenprofeten. Ze zijn heiligschenners, vijanden van Jahwe. Ze begingen een religieuze misdaad, waarvoor de Mozaïsche wet nooit iets anders dan de doodsstraf had voorzien (Ex. 32, 25-29). Bovendien waren de Badprofeten verantwoordelijk voor het ombrengen van Jahwe-profeten en wordt hierom de oudtestamentische vergeldingswet (ius talionis) op hen toegepast (Lev. 24, 10-20). De invloed van de Badcultus, de macht van Izebel, de wispelturigheid van het volk en de gewoonten uit deze antieke tijd lieten Elia geen andere keuze. Hij vraagt dan ook het vonnis, de ban aan de Badprofeten te voltrekken (Deut. 13). De gemeenschap zélf neemt de oorzaak van de ontwrichting, het badisme, weg uit haar midden. Het is een reinigingsoffer.
 

 

Tijd voor de vreugde

In de lijn van het profetisch woord tot Elia (18, 1) kan de vruchtbaarmakende regen nu komen, want het hart van het volk is bekeerd. Men had gevast in voorbereiding op de rechtsprocedure en als smeekbede om regen. De relatie met Achab treedt weer op de voorgrond. Hij kan zich bij de feestvierders voegen, want het is tijd voor vreugde. Een geïnspireerde Elia hoort reeds profetisch het kletteren van de stortregen. De houding van Elia is een intens gebaar van volkomen overgave aan God, waarin levenskracht wordt bemiddeld: regen voor het verdroogde land. Dat Elia's dienaar 7 maal (= eindeloos vaak) moet « opstijgen », dient om het regenwonder te accentueren en een mystieke gebedservaring van Elia te suggereren. Achab moet haast maken, want de eerste herfstregens in Israël kunnen echte stortvlagen zijn die elk verkeer onmogelijk maken. Als een jonge heraut loopt een « extatische » profeet vóór de koning uit om aan heel het land de ongelofelijke overwinning van Jahwe te verkondigen. Voor God loopt hij warm ! De profeet en de koning werken samen, gaan éénzelfde weg.

Koningin Izebel wordt vermoedelijk geweldig kwaad als ze het nieuws verneemt. Ze stuurt Elia een boodschap dat hij vermoord zal worden. Waarschijnlijk een intimidatie opdat hij zou vluchten. Als de held afwezig is kan ze alles weer in de oude plooi strijken. Het maneuver lukt. De H. Elia raakt in paniek, krabbelt roemloos terug. Hij vlucht het land uit, de woestijn in. De ` balling ' Elia gaat onder een bremstruik zitten: symbool van de dood, die in die eenzaamheid al zijn gezicht laat zien. Want zitten onder wijnstok en vijgeboom is teken van leven en vruchtbaarheid. Elia is ontmoedigd, beschaamd, geconfronteerd met eigen ellende, bewust van eigen relativiteit: « Ik heb het niet beter gedaan ». De heilige heeft ook zijn kwetsbaar punt. Dit profetisch klagen en lijden is een beproeving die nog voorkomt in het leven van heiligen en grote figuren. Elia gaat er zelfs bij liggen om te slapen: ook een symbool van de dood en van weigering van verdere verantwoordelijkheid. Maar God is niet afwezig. Een reddende engel geeft een menselijk direct antwoord op de vermoeidheid van Elia: hij moet opstaan en krijgt versgebakken brood en fris water. Daardoor weet hij dat zijn leven kostbaar is in Gods ogen. Na het doodsverlangen en de zelfvermindering groeit het leven weer in hem. God doet het twee keer: Hij zorgt heel teder en intens betrokken voor Elia. Zijn `reis' mag zijn krachten niet te boven gaan. De ` vlucht ' van de banneling wordt door God omgebogen tot een pelgrimstocht naar de Horeb.
 

 

Je komt tot nieuw zelfverstaan

« Veertig dagen en nachten » onderweg: zo herhaalt Elia de Exodus, maar nu in omgekeerde richting. Hij wordt een tweede Mozes. De kracht voor de voortzetting van zijn verbondswerk op de Karmel, zal Elia vinden op de berg waar Mozes het eerste verbond bemiddelde tussen Jahwe en Israël. In de grot van Mozes wordt ook hij met een godservaring begenadigd. « Wat doe je hier ? » Geen verwijt in die dubbele vraag, wel een zachte uitnodiging om de reden van zijn verdriet uit te spreken. God toont zich hier een koning die vol medelijden ` rechtshulp ' wil verlenen aan zijn dienaar. Elia komt zo tot een nieuw zelfverstaan. Hij stort zijn hart uit. Daarop worden alle bekende elementen van Gods openbaring aan Mozes vermeld: storm, aardbeving en vuur. Maar alleen het suizen van een zachte bries is voor Elia het teken dat God komt en zal spreken. De bries is symbool van intimiteit waarmee God tot mensen die Hem toebehoren spreekt, symbool van Gods creatieve betrokkenheid op het menselijk geluk. Elia houdt zich gereed voor de zending die hem te wachten staat door de geste met de mantel. Gods woord is daad. Elia wordt gezonden om mensen te zalven tot koning en profeet. Zij zullen de strijd verder zetten en de opvolging verzekeren van de verbondsvernieuwing. Uit de crisis van de ballingschap zal een nieuw en trouw Israël geboren worden: 7.000 man.
 

 

Elia wordt je tijdgenoot

Vertellen over de spiritualiteit van de H. Elia is geen ` archeologie ', geen heimwee naar ` de tijd van toen ', geen vrijblijvend gebeuren. Het wil iets in jou losmaken: een sluimerend godsdienstig verlangen. Elia is een actief religieus beginmodel van spiritualiteit. En dit kan telkens weer levend worden in de ontvankelijke mens die zich van een tekort bewust wordt. Doorheen de tijden en in elke cultuur wordt het levensideaal van Elia levend in nieuwe gestalten. Elia wordt je tijdgenoot als je rustig vertrouwt op God in je bidden op de berg, als je je woestijnervaring opdoet van verlorenheid en ook van tedere liefde van God die je zendt, als de stilte van de ontreddering zich omvormt in hoop.

Er is veel moedeloosheid in onze westerse cultuur en vaak ook binnen de kerk. Er is reden tot bezorgdheid: terrorisme, atheïsme, onrecht, etnische oorlogen, racisme en onverdraagzaamheid, corruptie. In feite zit onze westerse cultuur al 200 jaar in crisis. De stille ommekeer, het wegtrekken uit het godsdienstige blijft zich verder voltrekken. God is zijn unieke plaats kwijtgeraakt. De vooruitgang van wetenschap, techniek, welvaart, is zeker positief onder een bepaald oogpunt, maar de mens kan er gemakkelijk overmoedig en arrogant bij worden. Er dreigt een soort pseudo-godsdienstigheid, een Badcultus die fascineert. Daarom is het dringend nodig dat de ware God opnieuw in de plaats komt van de afgoden die de scepter zwaaien: geld, dolgedraaide wetenschap, macht, succes, prestige, onbeheerste sexualiteit, roesmiddelen, hysterie en vandalisme rond topsport en het fameuze ` ieder voor zich '. Het zijn de plaatsvervangende oplossingen voor wie niet (meer) gelooft. Ze vormen het bijgeloof en de afgoden waarmee Europa overspoeld wordt. De oproep van de profeten die Israël bezwoeren valse goden te verjagen om de ware God te dienen is bijzonder actueel. Hoofdvereiste daartoe is: zin voor de transcendentie van God en een loskomen uit het narcisme als een ziekelijk terugplooien op zichzelf.
 

 

Je bent van God gezonden

Tegen de kanker van de negativiteit zijn er binnen de kerk steeds mensen geweest `van God gezonden', 'engelen'  die gestalte geven aan een hoop met werkelijkheidszin. Het wegglijden van velen uit onze kerk en de ontmoediging van sommigen erbinnen zouden wel eens een `woestijnproef' kunnen blijken. Verwarrende omstandigheden kan God als een zuivering op ons laten inwerken. De kerk wordt verondersteld altijd opnieuw gesticht te worden. Het zijn precies de heiligen, de intens gelovende mensen die de kerk en allerlei gemeenschappen weer uittillen boven de zwaarte van hun eigen organisatie, die hen lentisch vernieuwen vanuit hun langzaam gegroeide verdorring en hen weer vurig maken na het ` inslapen onder de bremstruik ' of na de ingetreden kilte en koelheid. Aan zo'n ritmewisseling kan ook de kerk en het religieus gemeenschapsleven niet ontsnappen. AI is het klimaat in onze regio wellicht nog winters en lijkt de bodem van de crisis nog niet bereikt, de schuchtere resultaten van de 'schok' zijn al merkbaar. Bovendien maakt de H. Elia je duidelijk dat je je niet mag losmaken van de kerk en haar verlaten door aan de rand te gaan staan. Bij dergelijke hervormingen komt niet zelden hoogmoed om de hoek kijken. Men sticht dan vaak een nieuwe kerk voor zichzelf. Als je de kerk wil hervormen moet je erin blijven en er oprecht van houden ".

De 7.000 in het Elia-verhaal, zijn het misschien degenen in onze regio die zich verdiepen in de bijbel, ook al omdat ze meewerken aan de voorbereiding van de eerste en plechtige communie van jongeren ? Het maakt blij bezinningsgroepen te zien groeien, de levenskracht te zien van actieve parochies, van leefgemeenschappen die zorg dragen voor de meest kwetsbare leden in onze samenleving. Mgr. R. Van Gheluwe zegt het zo: « Ik geloof vast dat wij de geschiedenis op religieus vlak mee kunnen maken in plaats van ze te ondergaan ». Naast mensen die een nieuwe evangelische stoot geven en het eerste geloof verdiepen, hebben we mensen nodig die het evangelie aanstekelijk voorleven: ` heiligen ' uit onze buurt. Mensen van vrede op alle niveaus. Geloven is in de lijn van de H. Elia ook trouw de eredienst vieren van het nieuw verbond in Christus. Daar voedt God je met zijn eigen leven. Mag het brood dat Elia van God ontving bij de Kerit en op weg naar de Horeb ook verwijzen naar de eucharistische Jezus ? God trekt je dan ook vanuit de eucharistie over je grenzen heen naar de concrete medemens toe om daarbij ` Gods werk ' te doen.
 

 

 

Als God je nabij komt

De H. Elia maakte zich het Karmelcredo persoonlijk eigen. Het was zijn naam: « Jahwe is de ware God ». Laat daarom de naam van Jezus op je inwerken. Bid met zijn Naam. Je mag rustig zeker zijn dat God je nabij is en je verhoort. «Het vurig gebed van een rechtvaardige vermag veel », wist Jakobus (5, 16) over de H. Elia. Je mag je klachten voor God ter sprake brengen. Je mag in dorheid en verlatenheid toch stil volharden en hopen op God. Ga tot Hem in lief en leed, met gebedsaspiraties waarin meerstemmigheid van gevoelens mogelijk is. Al wordt het soms een donkere nacht, een woestijn, al word je gezandstraald door het leven, zo komt de weg vrij voor je geluk. Zo zuivert God mensen en laat zich aan hen op een bijzondere wijze als Beminde  ervaren. Wat geestelijke lectuur, een weekend in een bezinningshuis, je even terugtrekken op een stiller plekje in huis of in een tuin, het kan voor jou nu de Horeb zijn, een gebedsoase, waarin je weer duidelijker de motieven beseft van je christelijk levensengagement, je huwelijksrelatie, je religieuze toewijding. Laten we voor elkaar van daaruit, om beurt misschien, « reddende engel » zijn van Godswege om elkaar weer op weg te zetten.

De Elia-verhalen zijn bedevaartplaatsen waarin je kunt rondwandelen, jezelf herkennen en vooral God ervaren die ` heel ' maakt. Ze brengen je naar het dal van de Kerit bij de bron die Jezus is. Ze brengen je naar de berg Karmel voor jouw verbond met God. Ze leiden je door de woestijn naar de berg van de godsontmoeting en zending. Geconfronteerd met de H. Elia voel je weer aan hoe het kan.
 

  Auteur: Pater Piet Hoornaert, OCD
   
 

MEDITATIE: STEM VAN ZACHTE STILTE

   
 

Stem van zachte stilte

Op de berg, de Horeb, ervaart Elia - op de vlucht voor de politie van koningin Izebel - Gods mysterievolle aanwezigheid in 'het suizen van een zachte bries' (IK 19,12), zo letterlijk mogelijk vertaald: in 'een stem van zachte stilte'. Deze Godsverschijning is opmerkelijk en uniek in de bijbelse geschiedenis. Elia ervaart God anders dan in de gebruikelijke verschijnselen van storm, aardbeving en vuur. Bij het horen van deze 'stem van verfijnde stilte' (naar een vertaling van Willem Barnard), bedekt Elia zijn gezicht met zijn mantel, op dezelfde plaats waar Mozes zijn voeten ontschoeide. De stilte waarin Elia is opgenomen, heeft twee kanten. Van God uit gezien is ze ruimte waarbinnen Hij zijn aanwezigheid onthult, van Elia uit is ze voorwaarde om de Onnoemelijke te kunnen ervaren. De stilte van de Ene roept die van de andere op als Stem en tegenstem, als Roep en antwoord. Deze ervaring blijkt in Elia's leven een keerpunt en breekpunt te zijn geweest. Voor de vervolgde profeet breekt de toekomst open. Hij ontstijgt de nauwte van de angst. In het hart van de stilte hoort hij de opdracht onbevreesd op zijn schreden terug te keren om beslissingen te nemen met ingrijpende religieuspolitieke gevolgen.
 

 

God komt in stilte

Opmerkelijk en uniek is de stilte in de beschrijving van de theofanie, het komen van God, in 1 Koningen 19,12. Op de berg Horeb, dezelfde berg waar de Heer zich na de uittocht had geopenbaard aan Mozes, verschijnt Hij aan Elia. Noch in de storm noch in de aardbeving noch in het vuur was de Heer. Vreemd, want dit waren de gebruikelijke verschijnselen rond de goddelijke verschijning. Na het vuur was er 'het suizen van een zachte koelte' (NBG-1951), 'het suizen van een zachte stilte' (Statenvertaling), 'het suizen van een zachte bries' (Willibrord), 'eine Stimme verschwebenden Schweigens' (Buber). En dan, na deze qol demamah daqqah, letterlijk 'stem van zachte stilte', beseft Elia dat de Heer aanwezig is. Hij laat dat zien door zijn gelaat te bedekken. Welke betekenis heeft deze stilte? Wat heeft de verteller hiermee willen zeggen? Is het een esthetische uiting om het majestueuze van God te benadrukken? Betreft het een indirecte oproep aan Elia om zachtmoedig te worden? Of is er sprake van een bewuste verfijning van het godsbegrip? Of wil de verteller laten zien, als polemiek tegen de interne hang naar de natuurgoden van de volkeren rondom Israël, dat de Heer anders is en niet gebonden aan de bekende natuurverschijnselen? Of gaat het om Elia's stilte, opdat deze ontvankelijk wordt voor de openbaring? We weten het niet. Wel kunnen we dit zeggen: de stilte schept ruimte om te onthullen (van Gods zijde) en om te ontvangen (van Elia's zijde). Het blijkt een keerpunt, een breekpunt te zijn, waardoor de toekomst voor de vervolgde zich opent en bevrijding in het verschiet ligt (vgl. Job 4,16; W 18,14).
C.J. den Heyer-P. Schelling

 


Meditatie


'Stilte is zo eentonig', hoor je soms zeggen. Maar de stilte heeft zoveel tonen... Meer nog: midden in de verscheidenheid aan onhoorbare tonen en klanken van de stilte, staat ook nog de mens die de stilte ervaart, elke dag, elk ogenblik anders. De cyclus van de profeet Elia biedt ons een waaier van stiltevarianten én van menselijke gesteltenissen waarin we ons kunnen herkennen als we de stilte binnengaan. Het best lees je even de Elia-cyclus in 1Koningen 17 tot 19.
 

  De tijd van Elia
was een tijd vol rumoer, een tijd vol afgoden.
Hoe kon die kleine, grote profeet
met zijn vurig hart, Elia uit Tsibi, zich staande houden?
 
 

Hoe kunnen wij, kleine en grote profeten
van deze tijd vol rumoer en afgoden
ons staande houden?

 


Elia in het dal van de Kerit en in Sarefat (IK 17)

God zei tot Elia: 'Vertrek hiervandaan en ga naar het oosten en houd je verborgen in het dal van de Keilt,
dat in de Jordaan uitmondt. Uit de beek kun je drinken en de raven heb Ik bevolen je daar van voedsel te voorzien.'

 

  Elia, die mens van God wil zijn, is leeg, overweldigd door de altaren van de afgoden.
God weet dat rust en sterkte alleen uit de stilte geboren worden.
Elia moet zich verbergen, in de stilte, in de eenzaamheid van het dal.
Daar waar helemaal niets is, geen rumoer, geen drukdoenerij.
Elia in de Kerit mag vertrouwen: God kent zijn honger, Hij kent zijn dorst.
God weet hoe moeilijk de weg is die Elia nog moet gaan.
Hij voorziet in wat Elia nodig heeft.
Omdat hij de leegte diep heeft durven voelen daar ver van iedereen, in Kerit,
en God liet zorg dragen in de stilte van het dal, kan hij nu op zijn beurt zorg dragen
voor de lege pot en kruik van de weduwe van Sarefat, kan hij het leven geven aan haar zoon.
 
 

Wanneer een mens
overweldigd door onmacht en rumoer
zich door God in de stilte laat binnenvoeren
en vertrouwt op wat God wil geven
om zijn diepste honger te stillen,
wordt hij 'mens van God',
kan hij op zijn beurt
zorg dragen
voor mensen door rumoer bevangen,
voor hen die hongeren en dorsten
en snakken naar het leven.

 


Dort setzte er sich unter einen Ginsterstrauch
(Sieger Köder)

 
Elia op de Karmel (1K 18)

'Je kunt niet op twee gedachten blijven hinken', zei Elia tegen de afgodendienaars. 'Toon dat jullie goden leven en leven geven!'
'Zij dansten als dwazen rond hun altaar, riepen en tierden, maar hun afgoden zwegen in een pijnlijke stilte...'
'Er klonk geen geluid, er kwam geen antwoord, zij vonden geen gehoor', schrijft de bijbel.
Hoe verscheurend is de stilte als je gelooft in iets dat niet bestaat.
De God van Elia, van Abraham, Isaak en Jakob heeft weinig woorden nodig: 'Toon dat U God bent, geef antwoord opdat men weet dat U de Ware bent', bidt Elia - zomaar, zonder misbaar, zonder dansen en tieren.
En God zegt ja in de stilte van het vuur.
Deze stilte is gevuld met geloof in wat is.
 


Zo pijnlijk is de stilte
van de afgoden waaraan wij ons vastklampen.
Als je écht in nood zit,
straalt de tv geen warmte uit,
kan de pc je niet omhelzen,
brengt je auto je nergens naartoe.
Alleen de ware God
die je in de stilte van je hart aanroept,
zal antwoord geven,
hoe dan ook,
in duizend tekens, ongezien,
in stilte en in mensen,
in regen en in vuur.
Alleen de Ware.
 

  Elia in de woestijn (1K 19)

Even leek het tij gekeerd, even had Elia de mensen op zijn hand:
zij geloofden in de Ware, de levende God n Israël. Even maar.
Misschien was Elia toch nog te hoogmoedig?
Wou hij zichzelf bewijzen, daar op de berg karmel, meer dan ruimte te geve aan de Ware?
Of is het altijd zo dat de woorden van een profeet het hart van afgodendienaars maar vluchtig raken? Moedeloos is onze kleine grote profeet, hij zit in zak en as helemaal aan de grond:
'Het wordt mij te veel, mijn God, laat me sterven...' En hij viel in slaap.
De stilte van deze slaap in de woestijn onder de bremstuik
is de stilte van de wanhoop, de ontmoediging, het opgebrand zijn tot op het bot. Maar een engel van de Heer wekt hem, tot drie keer toe - wanhoop kan zo lang aan een mens vreten - en zegt: 'Sta op en eet.'
 
 


Ermutigung
(Janet Brooks Gerloff)
 

 

Wie kent ze niet,
die dagen dat je zou zeggen:
laat alles nu stil worden
laat mij nu maar sterven.
Er is niets beter voor een mens
dan dat hij
als hij op de drempel van de wanhoop staat
en de stilte van de ontmoediging
al zijn krachten muteert -
plots een engel van de Heer
kan ontdekken
– ze leven met zovelen
midden onder ons -
een engel die je helpt,
met urenlang stil luisteren
en slechts vier woorden
'Sta op en eet'
want
als je 's morgens uit je bed raakt.
en kunt eten
is de dag al half gewonnen…

 
Elia op de Horeb (1K 19)

Veertig dagen, veertig nachten - tja, zelfs een engel van de Heer
geneest je niet in een handomdraai.
Veertig dagen, veertig nachten van woestijn en donkere stilte heeft Elia nodig voor een nieuwe ontmoeting met de Ware.
En de Ware trok voorbij, niet in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur. De levende God van Israël heeft dit alles niet nodig.
Maar toen, toen plots, Elia wist het: een zachte bries.
Dat was genoeg voor de Ware. Daarin wist hij Hem aanwezig, eindeloos diep en wijds. En Elia bedekte zijn gezicht.
 
 

Onze tocht naar Hem
is vaak zo lang en zwaar,
door de stilte en de duisternis
van zijn afwezigheid.
Alleen de herinnering
aan de engel en zijn woorden:
'Sta op en eet',
alleen de herinnering
aan de raven en het water van de Kerit
en het vuur op de Karmel
houdt een mens gaande
houdt een mens hoopvol onderweg.
Dan plots
komt Hij dichterbij:
Hij heeft geen wonderen nodig,
geen visioenen,
geen hemelse muziek.
Alleen
stilte.
Alleen
het gerucht van een zachte bries:
je ziet Hem niet, je hoort Hem niet.
Je weet dat Hij er is
door wat Hij in beweging brengt
zoals elke bries dat doet.
Als Hij in jou
de liefde in beweging brengt,
mag je zeker zijn
dat Hij er was.

En God sprak:
'Wat doe je hier, Elia?
Keer terug, ga door de woestijn naar de stad.'

 


Nach dem Feuer kam ein sanftes, leises Säuselm
(Sieger Köder)

 
Gebed

God en Vader,
dag na dag wil ik kiezen voor U, de levende God die me oproept al mijn afgoden achter te laten. En dat zijn er veel...
Voed me, troost me,
hef me op
of zend desnoods uw engel als dorheid en ontmoediging me dodelijk vermoeien.
Alleen in uw genade en uw kracht kan ik U beluisteren
in de duizend zachte briesjes van onze tijd.

Amen
   
  Bron: Onderstroom 2 – handboek voor gebed, p. 220 – 225
           Uitgegeven door Carmelitana
   
   
 

Copyright ©  Vlaamse Karmel
Burgstraat 46
9000 Gent
Tel: 032 (0)9/225 57 87