|
|
De Karmelorde
in het Oosten (13e eeuw)
In de tweede helft van de twaalfde eeuw vestigden zich leken,
vermoedelijk met de kruistochten en bedevaarten naar het Heilig Land
overgekomen, in het Karmelgebergte. Daar bouwden ze zich een
bidplaats, toegewijd aan de Maagd Maria. In de omgeving van de
plaats, waar volgens de traditie Elia had verbleven, leidden ze in
navolging van deze grote profeet een beschouwend leven.
Maria en Elia zullen op de Karmel een blijvende stempel drukken.
Weldra beschouwen de „Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel”
Elia als hun stichter. Al kan deze eliaanse afstamming van
de orde op historisch vlak niet langer gehandhaafd worden, toch
blijft de profeet het prototype van de karmeliet. In het biddend
omgaan met God, zoals hij dit mocht ervaren in het „suizen van een
zachte bries” (1 Kon. 19, 12), vond Elia de voeding voor zijn
apostolische inzet. „Ik heb vurig geijverd voor Jahwe, de God van de
legerscharen” (1 Kon, 19, 10), kon hij bekennen. Deze bekentenis
heeft de Karmel als leuze overgenomen.
In deze beginperiode van de karmelgeschiedenis wordt bijna
uitsluitend het eremitisch-contemplatief aspect van de eliaanse
spiritualiteit beleefd. „Het boek van de eerste monniken”, naar alle
waarschijnlijkheid in de 14e eeuw door een niet-karmeliet geschreven
doch steeds als karmelitaans erfgoed beschouwd, spoort de lezer aan
tot de „beoefening van de deugd”, die erin bestaat „God een heilig
en zuiver hart aan te bieden dat vrij is van elke zonde.” Vervolgens
wordt het „smaken en ervaren van de goddelijke tegenwoordigheid en
de zoetheid van de hemelse glorie” als een loutere gave van de Heer,
benadrukt.
Het contemplatieve leven van de karmelbewoners werd opgemerkt door
pelgrims, die bewonderend optekenden hoe deze kluizenaars „als bijen
Gods honing van geestelijke zoetheid vergaarden” (JACOB van VITRY,
Historia Orientalis, 85, 51).
In 1238 waren de eremieten genoodzaakt te onderzoeken hoe ze hun
ideaal in de toekomst verder gestalte konden geven. De Islamitische
verovering van het Heilig Land had intussen immers grote vorderingen
gemaakt. Het leven van de karmelmonniken werd hierdoor ernstig
bedreigd. Er werd toelating verleend naar het Westen over te komen.
De traditie weet te verhalen dat de laatste karmelieten van het
Heilig Land vermoord werden onder het zingen van het Salve Regina.
Van 1291 tot 1631 zal het monastiek leven op de Karmelberg volledig
uitgedoofd blijven.
Intussen hadden de kluizenaars een regel ontvangen van de heilige
Albertus van Avogrado (1214), patriarch van Jeruzalem. Het was
voor de monniken geen van boven af opgelegd leefmodel, maar veeleer
een bekrachtiging van het leven dat zij reeds geruime tijd leidden.
De karmelregel munt uit door zijn beknoptheid, evenwicht en bijbelse
inspiratie. Centraal staat het voorschrift van het onophoudelijk
gebed: „Ieder moet alleen in zijn cel verblijven, er dag en nacht de
wet van de Heer overwegen en waken in gebed.” Deze regel zal echter
een evolutie doormaken wanneer de jonge orde zich in het Westen komt
vestigen.
De inplanting in het Westen (13e
eeuw)
Reeds tijdens de eerste helft van de dertiende eeuw keerden de
karmelieten naar het Westen terug om daar, zonder gevaar voor een
Saraceense inval, het eremitisch ideaal verder te beleven. De eerste
stichtingen kwamen vooral rond de Middellandse Zee tot stand
(Cyprus, Provence, Italië). Het duurde evenwel niet lang of andere
landen van West-Europa zagen op hun beurt karmelkloosters verrijzen.
Dikwijls gebeurde dit op koninklijk (bvb. Charenton bij Parijs door
de heilige Lodewijk) of op adellijk (bvb. Aylesford in Engeland in
1249) verzoek. Volgens de traditie zou de eerste Westeuropese karmel
gesticht zijn in onze gewesten, nl. te Valenciennes in 1235. Het
duurde niettemin tot ongeveer 1265 vooraleer men duidelijke sporen
van karmelitaans leven in de Nederlanden bespeurt, met de
stichtingen van Brussel, Luik, Haarlem, Ieper en Mechelen. De
kloosters van Brugge, Gent, Aarlen en Arras dateren uit de dertiende eeuw.
Alles wijst erop dat het kluizenaarsideaal levendig was. In Ieper en
Mechelen rezen de eerste kloosters buiten de stadsmuren op en het
klooster van Aylesford was eerder een verzameling afzonderlijke
cellen dan één gemeenschappelijk gebouw. Toch zal hierin verandering
komen. De regel, die in 1226 door paus Honorius III was goedgekeurd,
werd in 1229 reeds door Gregorius IX aangepast naar de geest van de
bedelorden. In 1247 tenslotte wordt de regel definitief aangepast en
bekrachtigd door Innocentius IV: de karmelieten mogen voortaan hun
kloosters in de steden bouwen, de stille tijden worden verkort, het
gemeenschappelijk aspect van het leven bevorderd. Hoewel het
oorspronkelijk contemplatief karakter behouden bleef, trad er
niettemin reactie tegen deze accentverschuiving op, o.a. door
Nicolaas van Frankrijk, prior-generaal van de orde van 1266 tot
1271. In een hartstochtelijke omzendbrief, Ignea Sagitta (Brandende
Vuurpijl), bezwoer hij de orde trouw te blijven aan haar eremitische
oorsprong.
Voortaan behoorden de karmelieten tot de bedelorden, zodat hun
voortbestaan in West-Europa verzekerd was. Toch zou de jonge orde op
vele punten van de andere bedel- of mendicantenorden, zoals de
franciskanen, dominikanen en augustijnen, blijven verschillen. Dat
de karmelieten zich op kerkrechterlijk niveau in de steden mochten
vestigen en het in feite ook deden, viel niet altijd in goede aarde
bij de seculiere geestelijkheid en de andere orden, die de
karmelieten als indringers gingen beschouwen. Ook het volk keek vrij
ongunstig naar de nieuwe orde, die haar oosterse levenswijze
gedeeltelijk had behouden, o.a. door het dragen van hun wit-bruin
gestreepte mantel. Op pauselijk verzoek echter werden de karmelieten
door de bisschoppen gesteund en konden ze meer en meer vaste voet in
de steden krijgen. Hun mantel werd vervangen door een wit overkleed,
dat tot heden behouden is gebleven als liturgisch gewaad.
In deze moeilijke aanpassingsperiode werd het oorspronkelijk mariaal
karakter van de Karmel bevestigd tijdens het leven van de heilige
Simon Stock (1265). Voortaan zal het scapulier als een bijzonder
teken van Maria's voorliefde voor de Karmel en van haar bescherming
gedragen worden.
Bloei en verval (14e - 15e eeuw)
Reeds in het begin van de veertiende eeuw heeft de Karmel zich weten
aan te passen aan de westerse eisen. Vanaf 1326 genoten de
karmelieten dezelfde voorrechten als de franciskanen en dominikanen.
Ook had de orde zich numeriek uitgebreid: in 1369, aan de vooravond
van het Westers Schisma, telde de orde 21 provincies. Onze gebieden
behoorden gedeeltelijk tot de Nederduitse provincie, terwijl de
Franse provincie de andere gewesten omvatte. In de Nederduitse
provincie werden in de veertiende en vijftiende eeuw kloosters
gesticht te Geldern, Schoonhoven, Woudsend, Tienen, Ijlst, Edingen,
Moers, Leuven, Geraardsbergen, Utrecht, Ouddorp en Antwerpen; in de
Franse provincie te Vlissingen, Aalst en Marche.
In deze periode werd intussen in de orde veel aandacht besteed aan
de intellectuele ontwikkeling van haar leden. Dit blijkt o.a. uit
het oprichten van "meerdere studiehuizen, waar karmelieten werden
opgeleid. Alleen reeds in de Nederduitse provincie telde men tot
ongeveer het jaar 1550 een 126 gegradueerden. Vooral op het gebied
van de mariologie, en meer in het bijzonder wat de verdediging van
Maria's onbevlekte ontvangenis betreft, heeft de Karmel
verdienstelijke figuren gekend, zoals Baconthorpe (1348, Engeland)
en Arnold Bostius (1499) bij ons. Ook moet Thomas Netter van
Walden (1431, Oxford), die Wiclif en Hus bestreden heeft, vermeld
worden.
Sibert van Beek, van de Nederduitse provincie (1332), legde in
zijn ordinale de karmelitaanse liturgie vast; geopteerd werd voor de
ritus van het Heilig Graf, waaruit de oosterse oorsprong van de orde
duidelijk aan het licht kwam. Wat de volle beleving van het
karmelideaal betreft moeten voor deze periode volgende heiligen
vernoemd worden: Albertus van Sicilië (1306), de Fransman Petrus
Thomas (1366) en de Italiaan Andreas Corsini (1374). Men mag
deze bloeiperiode niet besluiten zonder de Italiaanse schilder Filippo Lippi
(1469) te vernoemen, die ondanks een weinig
stichtend persoonlijk leven, door zijn artistieke begaafdheid op
zijn wijze bijgedragen heeft tot dit karmelitaanse hoogtepunt.
De zoëven vermelde intellectuele bloei lag echter ook aan de basis
van het verval dat de Karmel op vele plaatsen meemaakte vanaf het
einde van de veertiende eeuw. De jacht op universitaire titels en
beneficia bevorderden het gemeenschapsleven niet. Gegradueerden aten
afzonderlijk, lieten zich dienen door een knecht, verkregen
toestemming om een gedeelte van het getijdengebed niet langer te
bidden. Daarbij konden sinds 1362 sommige kloosterlingen hun eigen
inkomsten beheren. Hier en daar werden kinderen aangenomen als
kloosterling.
Nog andere factoren veroorzaakten mede het verval van de orde. Het
Westers Schisma (1378-1417) was oorzaak van het samen bestaan van
twee afzonderlijke besturen. De grote pestepidemie (1347-1354)
verzwakte tevens de geestelijke weerstand van de kloosterlingen.
Allerlei toegevingen werden verleend wat het vasten en het
vleesderven betreft. De regelverzachting, door de bulle Romani
pontifices officieel toegestaan in 1432, bekrachtigde de
veranderingen in de kloosterobservantie.
Hervormingsbewegingen (15e - 16e eeuw)
De misbruiken in de observantie hebben heel vlug het verlangen naar
hervorming doen groeien. Zo ontstonden enerzijds meer locale
reformatiebewegingen, anderzijds werden pogingen ondernomen vanwege
generale oversten om de orde in haar geheel te hervormen.
De hervorming van Mantua (Italië) leidde tot het ontstaan van een
afzonderlijke congregatie (1442-1783), die onder het bestuur van de
zalige Joannes Baptista Spagnoli (1516) haar hoogtepunt bereikte.
Van deze karmeliet moet vermeld worden dat hij voor één van de uitmuntendste dichters van zijn tijd werd gehouden. De
reformatiebewegingen van Albi (Frankrijk, 1499-1599) en van
Montoliveti (Italië, 1516-1599) waren beperkter in uitbreiding dan
die van Mantua.
Het zal vooral onder het impuls van drie generale oversten zijn, dat
op basis van constituties, pogingen werden ondernomen de Karmel in
zijn geheel te hervormen. De zalige Joannes Soreth (1471) wenste
per provincie enkele kloosters te zien die minstens de verzachte
regel van 1432 zouden toepassen. Van hieruit kon dan de rest van de
provincie hervormd worden. Zijn opzet lukte gedeeltelijk. Zijn werk
werd in de zestiende eeuw voortgezet door Nicolaas Audet (1562),
die vooral in Zuid-Europa voor hervorming geijverd heeft, en Joannes
Baptista Rossi (1578), die gans Europa doorkruiste en in Avila de
heilige Teresia toestemming gaf haar hervormingswerk voort te zetten
en uit te breiden.
In de vijftiende eeuw bewerkte Joannes Soreth dat de Tweede en Derde
Orde van de Karmel erkend werden. Reeds vroeger hadden vrouwen,
levend in gemeenschap of alleen, de karmelregel als leefmodel
gekozen en de geestelijke leiding van een karmeliet aanvaard. In
1452 echter vroegen de begijnen van Gelre de toestemming in de orde
te worden opgenomen. Dit werd hen verleend door Nicolaas V op 7
oktober van hetzelfde jaar. Weldra rezen kloosters voor monialen op,
voornamelijk in Bretagne, door toedoen van de zalige Francoise
d'Amboise, hertogin van Bretagne (1485), die later zelf intrad te Nantes; in de Nederlanden werden karmelietessenkloosters gesticht te
Nieuwkerk, Luik, Haarlem, Dinant, Hoei, Namen, Rotterdam, Leuven en
Vilvoorde. Deze laatste karmel behoorde tot 1966 tot de Antieke
Observantie (geschoeide Karmel); nu maakt dit klooster deel uit van
de Teresiaanse Hervorming. Onder de karmelietessen van de
niet-hervormde Karmel moet de heilige Maria Magdalena de'Pazzi
gerekend worden (1607). Zij was bijzonder mystiek begenadigd.
Ook de Derde Orde, nu Lekenorde van de Karmel geheten, werd in de
vijftiende eeuw erkend. Spoedig kende deze een grote uitbreiding. De
regel werd meermaals aangepast om het karmelideaal ook voor leken
toegankelijk te maken.
In de zestiende eeuw werd, ten gevolge van het protestantisme, aan
de orde grote schade toegebracht. Ongeveer 120 kloosters, verdeeld
over 6 provincies, werden vernield of afgeschaft. Omstreeks 1580 was
het karmelitaans leven in de Noordelijke Nederlanden vrijwel
verdwenen. Elders gingen sommige hervormers over tot extremen, zoals
in de vijftiende eeuw Thomas Connectus (1433) het deed en in
Vlaanderen veel succes oogstte.
Toch zou de Karmel rond 1600 een 12.000 karmelieten hebben geteld,
verdeeld over 30 provincies. De vrouwelijke tak telde ongeveer 1.500
leden. Sommige provincies waren bloeiend, bvb. die van Castilië in
Spanje; andere waren echter vrijwel verdwenen. In onze gewesten werd
in 1597 een nieuwe provincie-indeling doorgevoerd. Voortaan zouden
de kloosters van de Nederlanden, die tot nu toe tot de Franse
provincie behoorden, de nieuwe provincie Belgica vormen.
|
| |
De Teresiaanse hervorming (16e
eeuw)
Een levensschets van Teresia van Jezus (1515-1582) vindt u elders op
deze website, alsook de politieke, culturele en religieuze leefwereld
van deze heilige. Daarom worden in deze paragraaf slechts enkele
krachtlijnen gegeven van de evolutie van de Karmel tijdens de
Teresiaanse Hervorming.
Het hervormingswerk van Teresia wortelt in haar persoonlijke
religieuze levensopgang en gebedservaring. In het karmelklooster van
haar geboortestad, la Encarnación (de Menswording), waar ze in 1535
intrad, vond ze niet het geschikte klimaat om haar gebedshonger te
stillen. De gemeenschap leefde volgens de verzachte regel. Bezield
door een sterke contemplatieve en apostolische ijver besloot ze, na
lang overleg, een klooster te stichten voor zusters, waar de regel
van 1247 onverkort zou gevolgd worden. Zij wist de vereiste
toestemming te bekomen. Op 24 augustus 1562 trekt ze zich met enkele
zusters terug in het nieuw kloostertje van San José te Avila. De
grondpijlers ervan zijn: armoede, afzondering, gebed.
Met de goedkeuring van de generale overste zal Teresia ook de
mannelijke tak van de orde, in nauwe samenwerking met de heilige
Johannes van het Kruis (1542-1591) hervormen. Zo ontstond in 1568
het eerste klooster van ongeschoeide karmelieten in Duruelo. In het
geheel van Teresia's hervormingswerk speelt pater Jerónimo Gracián (1614) een belangrijke rol.
Moeilijkheden met de orde bleven niet uit. Overlappingen in de
bevoegdheden van de generale overste, de provinciaal en de nuntius,
zijn bron geweest van ernstige conflicten. De onenigheid bereikte
een hoogtepunt in de gevangenneming van Johannes van het Kruis te
Toledo. In de donkere gevangeniscel echter kwamen zijn mooiste
gedichten tot stand.
Intussen had Teresia Spanje verrijkt met 15 nieuwe kloosters van
ongeschoeide karmelietessen. De heilige zal haar zusters verder
geestelijk bijstaan door haar geschriften: Weg van volmaaktheid,
Innerlijke burcht, een Autobiografie, het verhaal van haar
Kloosterstichtingen, ontelbaar vele brieven en korte traktaatjes. De
gebedsomgang met God staat telkens centraal. Op zijn beurt en op
zijn wijze zal Johannes van het Kruis zijn innerlijke ervaringen
neerpennen in de vorm van systematische commentaren op zijn
gedichten, die tot de zuiverste poëzie van het 16e eeuwse Spanje
mogen gerekend worden: Geestelijk hooglied, Bestijging van de Berg Karmel, Donkere nacht, Levende vlam van liefde.
In 1580 maakte Teresia nog de oprichting mee van een afzonderlijke
provincie van ongeschoeide karmelieten en karmelietessen. Door
toedoen van de nieuwe provinciaal Nicolás Doria (1594) werd in
1587 een afzonderlijke congregatie met brede bevoegdheden opgericht.
Waarschijnlijk tegen de wil in van Johannes van het Kruis werd de
aloude Heilig Grafritus opgegeven om zo het verschil met de
geschoeide Karmel beter te laten uitkomen. Doria verwijderde allen
die zijn plannen in de weg stonden: Gracián werd uit de orde
gestoten en Johannes van het Kruis stierf in ballingschap. Op 20
december 1593 werd de ongeschoeide Karmel een zelfstandige orde.
De uitbreiding van de Teresiaanse
Karmel (17e eeuw)
In de zeventiende eeuw bereikten beide takken van de Karmel, nu twee
afzonderlijke ordes, elk hun hoogtepunt.
Op het einde van de zestiende eeuw hadden de ongeschoeide
karmelieten en karmelietessen reeds een klooster te Genua in Italië.
Van hieruit zal in 1600 de Italiaanse congregatie ontstaan, die op
haar beurt het hervormingswerk zal voortzetten tot in de
missiegebieden toe. Ook Frankrijk kwam vanuit Spanje aan de beurt.
Dank zij kardinaal de Bérulle en Madame Acarie (1618) kon Anna van
Jezus (1621) het jonge karmelitaanse leven in 1604 naar Frankrijk
overbrengen. Vanuit Frankrijk worden vervolgens de Spaanse
Nederlanden bereikt. Anna van Jezus stichtte kloosters te Brussel en
Leuven (1608). De zalige Anna van de heilige Bartholomeiis richtte
op haar beurt in 1612 te Antwerpen de Rosier op, die tot op vandaag
door de ongeschoeide karmelietessen bewoond wordt. Weldra volgden
stichtingen van zusterkloosters te Doornik, Mechelen, Valenciennes,
Antwerpen (Hopland), Gent, Ieper, Douai, Brugge, Lille, Luik, Aalst,
Lier, Kortrijk, Hoei, Dendermonde, Ciney, Mol, Rochefort, Willebroek...
Anna van Jezus, vrezend voor een seculiere inmenging zoals dit in
Frankrijk het geval was, haastte zich om ook ongeschoeide
karmelieten naar de Nederlanden te doen overkomen: in 1610 werden ze
te Brussel feestelijk onthaald. Net als de karmelietessen, zullen
ook de paters op meerdere plaatsen al heel vlug eigen kloosters
hebben: Leuven, Douai, Lille, Luik, Antwerpen, Marlagne,
Leuven-missiehuis, Namen, Doornik, Saint-Omer, Brugge, Hoei, Mons,
Gent, Ieper, Cambrai, Mechelen, Duinkerken, Dendermonde, Kortrijk,
Valencien-nes, Jemeppe-sur-Meuse, Nethen, Roermond, Visé,
Vilvoorde...
Weldra zou men overgaan tot stichtingen over heel Europa. Zo werden
de stichtingen in de Zuidelijke Nederlanden de bakermat van de
nieuwe Keulse en Bourgondische provincie. Verrassend snel konden de
zusters zich verder inplanten in andere Duitse gebieden, in Polen,
in Oost- en Zuid-Europa. In 1615 staken de paters over naar
Engeland. Tenslotte werd in 1625 Ierland bereikt.
Het karmelitaans leven begon eveneens wortel te schieten in de
Verenigde Provincies: ongeschoeide karmelieten stichtten
missiehuizen te Leiden, Den Haag en Amsterdam (1648 tot 1669);
ongeschoeide karmelietessen vestigden zich te 's Hertogenbosch
(1624) en Oirschot (1644).
In 1581 reeds was het startsein gegeven om karmelmissionarissen uit
te zenden. Pater Doria werkte dit aanvankelijk tegen, maar na zijn
dood begon de verspreiding van de orde in de Islamitische landen en
in Indië. In 1631 werd de Karmelberg in Palestina opnieuw
karmelitaans erfgoed.
In 1617 werd de Belgische provincie opgericht, die in 1663 in de
provincies Flandro-Belgica en Wallo-Belgica verdeeld werd. Opnieuw
werden ze verdeeld in 1681 en in 1761. De provincie Wallo-Belgica
werd opgesplitst in de provincies Leodensis (Luik) en Wallo-Belgica;
de Flandro-Belgica in een Vlaamse en een Brabantse provincie. Op het
einde van het Ancien-Régime telden deze vier provincies een
veertigtal mannen- en vrouwenkloosters.
De hervorming van Touraine (17e eeuw)
Ook de geschoeide Karmel kende zijn hervormingsbeweging. Deze echter
zou niet tot een afscheiding leiden. Zoals Johannes van het Kruis
ondervond Philippe Thibault (1638) moeilijkheden om zijn
contemplatief ideaal in de Karmel van zijn tijd te verwezenlijken.
Ten gevolge immers van de godsdienstoorlogen was in Frankrijk de
kloosterobservantie in de karmels niet bijzonder intens. Dikwijls
moest elke karmeliet voor zichzelf instaan, waardoor het
gemeenschappelijk leven niet werd bevorderd. Daarbij kwam dat
sommige kloosters overbevolkt waren. Daarom dacht pater Thibault er
over naar de ongeschoeide tak of de karthuizers over te gaan. Zijn
generale overste raadde hem echter aan een hervorming van de Karmel,
en meer bepaald van zijn eigen provincie, te verwezenlijken.
Thibault vermeed bij zijn opdracht iedere splitsing. Hij paste het
principe van Soreth toe: vanuit één hervormd klooster de rest van de
provincie reformeren. Gesteund door Pierre Behourt (1633) en Louis Charpentier
(1640) begon Thibault eerst de kloosters van Rennes en
Angers te hervormen. Er werden nieuwe constituties opgesteld,
waarbij aan het stil gebed en de antieke liturgie veel aandacht werd
besteed; de armoede, onthechting en afzondering werden in ere
hersteld.
De ware bezieler van deze beweging was echter de blinde broeder Jean
de Saint-Samson (1636) die een persoonlijke stempel op de
hervorming van Touraine zou drukken. Weldra bereikte de
hervormingsbeweging ook de Nederlanden in 1624. De hervormers vonden
hier een dankbare bodem voor hun werk. De weinig in aantal nieuw
opgerichte kloosters in de 16e eeuw, kwamen het eerst in aanmerking
om in de loop van de 17e eeuw in de geest van Touraine ingericht te
worden. Nieuwe kloosters verschenen te Douai, Nieuwpoort, Bottelaar,
Munsterbilzen, Waver, Wandre, Nijvel, Montignies-Saint-Christophe,
Valenciennes-Bonne-Espérance, Wégimont; karmelietessenkloosters
verschenen in Marche, Charleville, Ciney, Fumay , Rochefort... De
verspreiding van de Touraine-beweging in de Nederlanden was
voornamelijk het werk van Martin de Hooghe (1637), Lieven de Hondt
(1641) en vooral van Michael a Sancto Augustino (1684).
Los van de hervorming van Touraine kende de geschoeide Karmel, zoals
de ongeschoeide, eveneens zijn uitbreiding in de 17e eeuw, o.a. in
Ierland; in 1687 vestigden de geschoeiden zich in Londen. In de
Verenigde Provincies ontstond rond 1640 de zo genoemde Hollandse
Missie met huizen in Amsterdam, Amersfoort, Rucphen en Rijswijk. In
1652 volgde een stichting te Boxmeer, waar ook een
karmelietessenklooster werd gesticht in 1672.
In de Duitse en Oosteuropese gebieden werden verscheidene provincies
opgericht of heropgericht. Ook in missiegebieden, voornamelijk in
Brazilië, waren de geschoeide karmelieten werkzaam. Op het einde van het Ancien-Régime, telde de
Karmel van de Antieke Observantie ongeveer 800 kloosters voor mannen
en een honderdtal voor vrouwen, verdeeld over 46 provincies. De
Groot-belgische provincie, die in 1630 was opgericht om vrijwel alle
kloosters van de Nederlanden te verzamelen, werd in 1663 verdeeld
over Vlaanderen en Wallonië. Het aantal kloosters in onze gewesten
bedroeg in deze tijd, evenals voor de ongeschoeide Karmel, een
veertigtal.
De Karmelorde tijdens het Ancien-Régime (17e - 18e
eeuw)
Hoewel juridisch en historisch de beide karmeltakken gescheiden
waren, kan men toch van een gemeenschappelijk ideaal spreken. De
Antieke Observantie werd sterk beďnvloed door de geschriften van de
Spaanse hervormers; anderzijds was de Teresiaanse Karmel niet
onverschillig voor de werken van de Tourainer schrijvers. Beide
orden hadden een te lange gemeenschappelijke evolutie achter de rug
om elkaar te kunnen vergeten. De strijd tussen beide Karmels was
overigens in de zeventiende eeuw geluwd.
In de Nederlanden had Anna van Jezus het Teresiaans ideaal weten te
bewaren. Anna, de rechterhand van de Madre, werd hierbij geholpen
door pater Thomas a Jesu (1627). Zelden hebben het contemplatief
ideaal en de apostolische ijver zulk harmonieus samengaan gekend als
bij deze karmeliet. Zo liet hij kluizenarijen oprichten, waarin de
kloosterlingen zich voor een min of meer lange tijd in volle
eenzaamheid konden terugtrekken. In onze gewesten ontstonden
kluizenarijen in Marlagne (Namur) en Nethen (Leuven), terwijl op het
einde van de 18e eeuw plannen werden gemaakt om er een nieuwe te
Papinglo (Maldegem) te stichten. Ook de geschoeide Karmel had
„eenzame” kloosters: te Liedekerke, Willerzie,
Montignies-Saint-Christophe, ofschoon deze niet volledig
overeenkwamen met de kluizenarijen van de ongeschoeiden.
Dezelfde Thomas a Jesu ligt aan de basis van een sterke missionaire
beweging; zo droeg de Teresiaanse Karmel niet weinig bij tot de
oprichting van de congregatie De propaganda fide in 1622.
Op spiritueel vlak bloeide de Hervormde Karmel in figuren als
broeder Laurentius van de Verrijzenis (†1668), de heilige Teresia
Margareta Redi (†1770) en vele andere. Heel wat opschudding
verwekten in hun tijd het intreden in de Karmel van Louise de la
Valličre (†1710), minnares van Lodewijk XIV, en van Louise de
France (†1787), dochter van Lodewijk XV. Doctrineel werd de
Teresiaanse leer gesystematiseerd door Philippe van de Drieëenheid (†1671), op het ogenblik dat de befaamde Complutences en
Salmanticenses (†1724) hun opgang maakten.
Ook de geschoeide Karmel bereikte in de Nederlanden tijdens de
zeventiende eeuw een hoog spiritueel niveau met Michael a Sancto
Augustino (†1684) die de mariologie en geschriften van zijn
geestelijke dochter, de derde ordelinge Maria a Sancta Theresia (Petit)
(†1677) uitgaf. In Frankrijk verschenen de werken van Jean de
Saint-Samson.
Verder zijn de uitgaven van Daniël a Virgine Maria (1678) te
vermelden. Bekend is zijn strijd tegen de Bollandisten, die de
eliaanse afstamming van de Karmelorde aanvielen.
Op het einde van het Ancien-Régime konden beide karmelfamilies op
een stevige traditie van spirituele en intellectuele rijkdom
terugblikken en aldus het karmelitaans leven op een hoog peil
houden. Toch zullen beide ordes bijna de ondergang nabij zijn
tijdens de Franse Revolutie en de omwentelingen van de negentiende
eeuw.
Dieptepunt en restauratie (18e - 19e eeuw)
Op het einde van de achttiende en in het begin van de negentiende
eeuw zal de Karmel een dieptepunt in haar geschiedenis kennen,
ditmaal hoofdzakelijk veroorzaakt door externe factoren. Weliswaar
stelt men een stagnatie vast in de groei van de orde. In Vlaanderen
daalde het aantal geschoeide karmelieten van 707 in 1686 tot 389 in
1781. Er waren ook misbruiken. Op het einde van het Ancien-Régime
moesten sommige kapittels het dragen van pruiken en kantwerk
verbieden! De nachtwake en het vleesderven behoorden tot het
verleden.
Een eerste externe factor van het dieptepunt was het Verlicht
Despotisme. Reeds Maria-Theresia had enige maatregelen genomen die
naar de opheffing van de Karmelorde moesten leiden. Zo mochten de
geschoeide karmelieten geen novicen meer opnemen. In 1783 werden
door keizer Jozef II de karmelietessenkloosters opgeheven. Velen
vonden een onderkomen in Italië, Polen en Frankrijk, waar ze door
Louise de France, tante van Lodewijk XVI en zelf karmelietes,
gastvrij werden opgenomen. Na de Brabantse omwenteling keerden ze
voor een korte tijd naar de Nederlanden terug.
Het is echter door de Franse Revolutie en de verspreiding van nieuwe
ideeën door Napoleon dat de Karmel de grootste slag werd toegediend.
Vele paters en zusters, onder wie de zalige karmelietessen van
Compičgne (1794), moesten de trouw aan hun roeping met de dood
betalen. In de Nederlanden werden kloosters gesloten (1796),
talrijke kloosterlingen vervolgd en, zoals in Ieper, soms
terechtgesteld. In het geheim kon het karmelleven te Gent,
Antwerpen, Brussel en Brugge niettemin blijven voortbestaan.
Met de Franse buitenlandse overwinningen breidden de vervolgingen
zich uit. In 1802 werden de kloosters van de linkerrijnoever
ontvolkt; in 1804 die van de rechteroever. Ook in Beieren, Polen,
Italië en Spanje werden de kloosterlingen uitgedreven. In vele
landen zouden ze, door nationalistische en liberale bewegingen, in
een latere faze opnieuw vervolgd worden.
Het resultaat van deze vervolgingsperiode was dramatisch voor de
Karmelorde. In onze 32 gebieden verdween de geschoeide Karmel
praktisch volledig: Boxmeer (paters en zusters) en Vilvoorde
(zusters) waren de enig overgebleven getuigen van de eens zo
bloeiende Antieke Observantie in de Nederlanden. In enige steden
bleven de ongeschoeiden voortleven. Sommige provincies waren totaal
vernietigd, zoals de Franse. Enkel in Italië, Galicië, Beieren en in
enkele andere gespaarde gebieden kon men enige kloosters behouden.
De meeste communiteiten mochten daarenboven geen novicen aanvaarden.
De inzet van deze overgebleven karmelieten is dan ook
bewonderenswaardig te noemen. Langzaam werd de ongeschoeide Karmel
hersteld in België. In 1850 werd de flandro-belgische provincie
heropgericht en in 1885 onderverdeeld in een Vlaamse en een
Brabantse. In Frankrijk werden door Camilia a Puero Jesu (1849) de
karmelietessen opnieuw te Parijs gevestigd en in 1835 zullen
gevluchte Spanjaarden de ongeschoeide Karmel in Bordeaux herstellen.
De geschoeide karmelieten van Boxmeer en Straubing in Beieren liggen
aan de basis van verschillende herstelde of nieuwe provincies, niet
enkel in Europa maar zelfs in Amerika. In 1875 werd de Spaanse
congregatie van de ongeschoeide Karmel, die nog slechts enige
kloosters telde in Spanje zelf en Latijns Amerika, verenigd met de
Italiaanse congregatie.
Ondanks de vele antireligieuze en nationalistische vervolgingen
(Frankrijk: wetten van Combes; Spanje: omwentelingen in het midden
van de negentiende eeuw; Italië: Rissorgimento) werd, de schade,
toegebracht gedurende vele opeenvolgende decennia, voor een groot
deel hersteld.
De hedendaagse Karmel
In de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de
twintigste eeuw maakte de Karmel langzaam maar zeker een
groeiperiode door. Weliswaar kenden beide Karmelordes hier en daar
nog verliezen, maar in ruimte bleven deze beperkt, bvb. in Spanje
tijdens de burgeroorlog. Enkel in Oost-Europa is na Wereldoorlog II
de toestand zorgwekkend geworden.
De Antieke Observantie kon, dankzij het werk van Nederlandse en
Duitse karmelieten, de verloren provincies voor een deel
heroprichten. In België echter zijn de bloeiende provincies totaal
verdwenen, evenals in Frankrijk, ondanks een restauratiepoging van
1876-1879 te Montpellier. Groot was de vreugde van de karmelieten
toen ze in 1949 het aloude klooster van Aylesford (Engeland), één
der eerste Europese stichtingen (1249) opnieuw konden betrekken.
Voortaan zal de Angelsaksische provincie een van de bloeiendste zijn
van de Antieke Observantie. Op missionair gebied werd het
karmelitaans leven ingeplant o.a. in Latijns-Amerika en Indonesië.
In 1980 telde de geschoeide Karmel ongeveer 2.100 mannelijke en 970
vrouwelijke religieuzen. De Derde Orde is zeer bloeiend, zowel de
reguliere als de seculiere tak. Figuren als Titus Brandsma (1942)
hebben bewezen dat de karmelieten tot het uiterste bereid waren
getuigenis af te leggen van wat hen bezielde.
Ook de Hervormde Karmel was zeer actief op missionair gebied. In
sommige landen hebben ze bloeiende provincies kunnen oprichten. Zo
is de Vlaamse ongeschoeide Karmel de bakermat geweest van een
intense missionering in India. Tevens zorgden ze ervoor dat de
spiritualiteit van de orde, die door Teresia van Jezus en Johannes
van het Kruis tot een hoogtepunt was gebracht, niet enkel bewaard
kon blijven, maar verder doorgegeven, o.a. in tal van publicaties.
In een tijd waar ascese en boete te veel als een doel op zich werden
beschouwd, herinnerde de heilige Teresia van het Kind Jezus (†1897, Lisieux) aan de voorrang van het vertrouwen en de liefde. Ze bracht
de heiligheid in het bereik van allen, die de kleine weg in hun
alledaagse bezigheden wensten te volgen. In Dijon leidde zuster
Elisabeth van de Drieëenheid (†1906) een uitzonderlijk mystiek
leven. Ook Edith Stein (†1942) heeft de Karmel verrijkt door leven
en geschriften.
De ongeschoeide karmelieten tellen wereldwijd ongeveer 4.000 leden; de monialen
12.000, verspreid over 54 landen. Vlaanderen bezit 5 paterskloosters
en 15 vrouwenkloosters. In Zweden is er eveneens een
karmelietessenklooster dat in 1956 vanuit Vlaanderen gesticht werd,
en een fraterniteit van paters, eveneens van hieruit gesticht in
1966. De Lekenorde van de Hervormde Karmel bestaat eveneens, zoals bij de geschoeide karmelieten, uit een
reguliere en een seculiere tak. De reguliere Derde Orde is actief in
de Nederlandse en de Belgische provincies: vermelden we voor
Nederland de Karmel van het Goddelijk Hart van Jezus (gesticht in
1911) en voor België de Apostolische Karmel Sint- Jozef (gesticht in
1872 in Frankrijk).
Zowel de ongeschoeide als geschoeide Karmel hebben, vooral in de
eerste helft van deze eeuw, een aantal leden gekend, die op
intellectueel gebied hun orde grote diensten bewezen hebben.
Hiernaast moet ook het apostolaat vermeld worden, waarbij vele
karmelieten de Karmel een duidelijke profilering hebben bezorgd.
Voor de Hervormde Karmel is dit hoofdzakelijk het bevorderen van het
geestelijk leven, het aanleren van het inwendig gebed, de
bewustmaking te leven in de tegenwoordigheid van God. De Vlaamse
Teresiaanse Karmel heeft op dit gebied baanbrekend werk verricht met
pater Gabriël van de H.M.-Magdalena (†1953), pater Hiëronymus van
de Moeder Gods (†1959) en vele anderen tot op vandaag.
De beide karmelfamilies hebben hun constituties in postvaticaanse
geest aangepast: voor de Antieke Observantie gebeurde dit in 1971,
voor de Hervormde Karmel tussen 1967-1979. Bij de laatsten wordt de
nadruk gelegd op het contemplatief charisma van de orde, waaruit op
zijn beurt het apostolaat voortvloeit.
Wie meer wil vernemen over de hedendaagse karmel en haar
organisaties kan
terecht in onze publicatie "Nieuw
Leven".
Besluit
Een terugblik op de zoëven geschetste karmelgeschiedenis laat
zowel de gelijkenissen als verschillen t.o.v. de andere grote
kloosterorden aan het licht komen.
Zoals andere orden, meer bepaald de bedelorden, heeft de Karmel
hoogtepunten en depressies meegemaakt. Sommige depressies werden
veroorzaakt door uiterlijke factoren, andere door inwendige, meestal
door beide samen. Tevens kende de Karmel hervormingen en
splitsingen, waarbij deze geenszins het verloochenen, maar veeleer
het verdiepen van de eeuwenoude traditie wilden bevorderen.
Ook heeft de Karmel originele kenmerken, vooral wat het ontstaan van
de orde betreft: geen gekende stichter of stichtingsdatum, een regel
die een reeds bestaande situatie bekrachtigt en opgesteld is door
een buitenstaander, het ontstaan in het Oosten, de overgang naar het
Westen en de aanpassing aan nieuwe omstandigheden.
Doorheen dit alles heeft de orde haar fysionomie weten te bewaren en
meer nog, ze heeft zich door de gebeurtenissen verrijkt; dit alles
in trouw aan haar oorspronkelijk charisma.
Originele tekst: Michel van Meerbeeck en Lieven
Vanderbrugghen |