Historische schets van de Karmel
  

 

 

Inleiding

De Karmel bestaat op onze dagen uit twee afzonderlijke en van elkaar onafhankelijke ordes, de niet-hervormde en de hervormde Karmel. De scheiding dateert van 1593, d.w.z. na de dood van Teresia van Jezus in 1582 en Johannes van het Kruis in 1591.

De niet-hervormde karmelieten waren wat de Zuidelijke Nederlanden betreft, tot aan de Franse Revolutie het talrijkst vertegenwoordigd. Deze oudste tak van de orde wordt de Orde van de Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel geheten of Onze-Lieve-Vrouwebroeders van de Antieke Observantie. In het Latijn: Ordo Carmelitarum, afgekort O. Carm. De geschoeiden, zoals deze kloosterlingen ook nog genoemd worden, zijn volledig uit België verdwenen, maar vormen in Nederland tot op vandaag een bloeiende provincie.

De hervormde karmelieten, ook „ongeschoeiden” of „discalsen” genoemd, hebben zich daarentegen zowel in België als in Nederland kunnen handhaven. Deze hervormde tak van de orde, ook Teresiaanse Hervorming genoemd, heet in het Latijn Ordo Carmelitarum Discalceatorum, O.C.D.

Het hier geboden beknopt overzicht van de geschiedenis van de Karmel wil hoofdzakelijk de persoon van Teresia van Jezus en haar hervormingswerk situeren in een lange keten van gebeurtenissen, die de Karmel in de loop der eeuwen heeft meegemaakt, en waarbinnen de heilige Teresia een gouden schakel is. Aldus gaat de aandacht niet enkel uit naar de hervormster, maar evenzeer naar de orde in haar geheel, meer bepaald naar de eeuwen die haar eeuw, de 16e, zijn voorafgegaan en hebben gevolgd. Deze schets houdt hierbij vooral rekening met de uitbreiding van de orde en de personen die op de een of andere wijze een persoonlijke stempel op de geschiedenis van de Karmelorde hebben gedrukt.

 

 

De Karmelorde in het Oosten (13e eeuw)

In de tweede helft van de twaalfde eeuw vestigden zich leken, vermoedelijk met de kruistochten en bedevaarten naar het Heilig Land overgekomen, in het Karmelgebergte. Daar bouwden ze zich een bidplaats, toegewijd aan de Maagd Maria. In de omgeving van de plaats, waar volgens de traditie Elia had verbleven, leidden ze in navolging van deze grote profeet een beschouwend leven.
Maria en Elia zullen op de Karmel een blijvende stempel drukken. Weldra beschouwen de „Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel” Elia als hun stichter. Al kan deze eliaanse afstamming van de orde op historisch vlak niet langer gehandhaafd worden, toch blijft de profeet het prototype van de karmeliet. In het biddend omgaan met God, zoals hij dit mocht ervaren in het „suizen van een zachte bries” (1 Kon. 19, 12), vond Elia de voeding voor zijn apostolische inzet. „Ik heb vurig geijverd voor Jahwe, de God van de legerscharen” (1 Kon, 19, 10), kon hij bekennen. Deze bekentenis heeft de Karmel als leuze overgenomen.

In deze beginperiode van de karmelgeschiedenis wordt bijna uitsluitend het eremitisch-contemplatief aspect van de eliaanse spiritualiteit beleefd. „Het boek van de eerste monniken”, naar alle waarschijnlijkheid in de 14e eeuw door een niet-karmeliet geschreven doch steeds als karmelitaans erfgoed beschouwd, spoort de lezer aan tot de „beoefening van de deugd”, die erin bestaat „God een heilig en zuiver hart aan te bieden dat vrij is van elke zonde.” Vervolgens wordt het „smaken en ervaren van de goddelijke tegenwoordigheid en de zoetheid van de hemelse glorie” als een loutere gave van de Heer, benadrukt.

Het contemplatieve leven van de karmelbewoners werd opgemerkt door pelgrims, die bewonderend optekenden hoe deze kluizenaars „als bijen Gods honing van geestelijke zoetheid vergaarden” (JACOB van VITRY, Historia Orientalis, 85, 51).

In 1238 waren de eremieten genoodzaakt te onderzoeken hoe ze hun ideaal in de toekomst verder gestalte konden geven. De Islamitische verovering van het Heilig Land had intussen immers grote vorderingen gemaakt. Het leven van de karmelmonniken werd hierdoor ernstig bedreigd. Er werd toelating verleend naar het Westen over te komen. De traditie weet te verhalen dat de laatste karmelieten van het Heilig Land vermoord werden onder het zingen van het Salve Regina. Van 1291 tot 1631 zal het monastiek leven op de Karmelberg volledig uitgedoofd blijven.

Intussen hadden de kluizenaars een regel ontvangen van de heilige Albertus van Avogrado (1214), patriarch van Jeruzalem. Het was voor de monniken geen van boven af opgelegd leefmodel, maar veeleer een bekrachtiging van het leven dat zij reeds geruime tijd leidden. De karmelregel munt uit door zijn beknoptheid, evenwicht en bijbelse inspiratie. Centraal staat het voorschrift van het onophoudelijk gebed: „Ieder moet alleen in zijn cel verblijven, er dag en nacht de wet van de Heer overwegen en waken in gebed.” Deze regel zal echter een evolutie doormaken wanneer de jonge orde zich in het Westen komt vestigen.

De inplanting in het Westen (13e eeuw)

Reeds tijdens de eerste helft van de dertiende eeuw keerden de karmelieten naar het Westen terug om daar, zonder gevaar voor een Saraceense inval, het eremitisch ideaal verder te beleven. De eerste stichtingen kwamen vooral rond de Middellandse Zee tot stand (Cyprus, Provence, Italië). Het duurde evenwel niet lang of andere landen van West-Europa zagen op hun beurt karmelkloosters verrijzen. Dikwijls gebeurde dit op koninklijk (bvb. Charenton bij Parijs door de heilige Lodewijk) of op adellijk (bvb. Aylesford in Engeland in 1249) verzoek. Volgens de traditie zou de eerste Westeuropese karmel gesticht zijn in onze gewesten, nl. te Valenciennes in 1235. Het duurde niettemin tot ongeveer 1265 vooraleer men duidelijke sporen van karmelitaans leven in de Nederlanden bespeurt, met de stichtingen van Brussel, Luik, Haarlem, Ieper en Mechelen. De kloosters van Brugge, Gent, Aarlen en Arras dateren uit de dertiende eeuw.

Alles wijst erop dat het kluizenaarsideaal levendig was. In Ieper en Mechelen rezen de eerste kloosters buiten de stadsmuren op en het klooster van Aylesford was eerder een verzameling afzonderlijke cellen dan één gemeenschappelijk gebouw. Toch zal hierin verandering komen. De regel, die in 1226 door paus Honorius III was goedgekeurd, werd in 1229 reeds door Gregorius IX aangepast naar de geest van de bedelorden. In 1247 tenslotte wordt de regel definitief aangepast en bekrachtigd door Innocentius IV: de karmelieten mogen voortaan hun kloosters in de steden bouwen, de stille tijden worden verkort, het gemeenschappelijk aspect van het leven bevorderd. Hoewel het oorspronkelijk contemplatief karakter behouden bleef, trad er niettemin reactie tegen deze accentverschuiving op, o.a. door Nicolaas van Frankrijk, prior-generaal van de orde van 1266 tot 1271. In een hartstochtelijke omzendbrief, Ignea Sagitta (Brandende Vuurpijl), bezwoer hij de orde trouw te blijven aan haar eremitische oorsprong.

Voortaan behoorden de karmelieten tot de bedelorden, zodat hun voortbestaan in West-Europa verzekerd was. Toch zou de jonge orde op vele punten van de andere bedel- of mendicantenorden, zoals de franciskanen, dominikanen en augustijnen, blijven verschillen. Dat de karmelieten zich op kerkrechterlijk niveau in de steden mochten vestigen en het in feite ook deden, viel niet altijd in goede aarde bij de seculiere geestelijkheid en de andere orden, die de karmelieten als indringers gingen beschouwen. Ook het volk keek vrij ongunstig naar de nieuwe orde, die haar oosterse levenswijze gedeeltelijk had behouden, o.a. door het dragen van hun wit-bruin gestreepte mantel. Op pauselijk verzoek echter werden de karmelieten door de bisschoppen gesteund en konden ze meer en meer vaste voet in de steden krijgen. Hun mantel werd vervangen door een wit overkleed, dat tot heden behouden is gebleven als liturgisch gewaad.

In deze moeilijke aanpassingsperiode werd het oorspronkelijk mariaal karakter van de Karmel bevestigd tijdens het leven van de heilige Simon Stock (1265). Voortaan zal het scapulier als een bijzonder teken van Maria's voorliefde voor de Karmel en van haar bescherming gedragen worden.

Bloei en verval (14e - 15e eeuw)

Reeds in het begin van de veertiende eeuw heeft de Karmel zich weten aan te passen aan de westerse eisen. Vanaf 1326 genoten de karmelieten dezelfde voorrechten als de franciskanen en dominikanen. Ook had de orde zich numeriek uitgebreid: in 1369, aan de vooravond van het Westers Schisma, telde de orde 21 provincies. Onze gebieden behoorden gedeeltelijk tot de Nederduitse provincie, terwijl de Franse provincie de andere gewesten omvatte. In de Nederduitse provincie werden in de veertiende en vijftiende eeuw kloosters gesticht te Geldern, Schoonhoven, Woudsend, Tienen, Ijlst, Edingen, Moers, Leuven, Geraardsbergen, Utrecht, Ouddorp en Antwerpen; in de Franse provincie te Vlissingen, Aalst en Marche.

In deze periode werd intussen in de orde veel aandacht besteed aan de intellectuele ontwikkeling van haar leden. Dit blijkt o.a. uit het oprichten van "meerdere studiehuizen, waar karmelieten werden opgeleid. Alleen reeds in de Nederduitse provincie telde men tot ongeveer het jaar 1550 een 126 gegradueerden. Vooral op het gebied van de mariologie, en meer in het bijzonder wat de verdediging van Maria's onbevlekte ontvangenis betreft, heeft de Karmel verdienstelijke figuren gekend, zoals Baconthorpe (1348, Engeland) en Arnold Bostius (1499) bij ons. Ook moet Thomas Netter van Walden (1431, Oxford), die Wiclif en Hus bestreden heeft, vermeld worden.

Sibert van Beek, van de Nederduitse provincie (1332), legde in zijn ordinale de karmelitaanse liturgie vast; geopteerd werd voor de ritus van het Heilig Graf, waaruit de oosterse oorsprong van de orde duidelijk aan het licht kwam. Wat de volle beleving van het karmelideaal betreft moeten voor deze periode volgende heiligen vernoemd worden: Albertus van Sicilië (1306), de Fransman Petrus Thomas (1366) en de Italiaan Andreas Corsini (1374). Men mag deze bloeiperiode niet besluiten zonder de Italiaanse schilder Filippo Lippi (1469) te vernoemen, die ondanks een weinig stichtend persoonlijk leven, door zijn artistieke begaafdheid op zijn wijze bijgedragen heeft tot dit karmelitaanse hoogtepunt.

De zoëven vermelde intellectuele bloei lag echter ook aan de basis van het verval dat de Karmel op vele plaatsen meemaakte vanaf het einde van de veertiende eeuw. De jacht op universitaire titels en beneficia bevorderden het gemeenschapsleven niet. Gegradueerden aten afzonderlijk, lieten zich dienen door een knecht, verkregen toestemming om een gedeelte van het getijdengebed niet langer te bidden. Daarbij konden sinds 1362 sommige kloosterlingen hun eigen inkomsten beheren. Hier en daar werden kinderen aangenomen als kloosterling.

Nog andere factoren veroorzaakten mede het verval van de orde. Het Westers Schisma (1378-1417) was oorzaak van het samen bestaan van twee afzonderlijke besturen. De grote pestepidemie (1347-1354) verzwakte tevens de geestelijke weerstand van de kloosterlingen. Allerlei toegevingen werden verleend wat het vasten en het vleesderven betreft. De regelverzachting, door de bulle Romani pontifices officieel toegestaan in 1432, bekrachtigde de veranderingen in de kloosterobservantie.

Hervormingsbewegingen (15e - 16e eeuw)

De misbruiken in de observantie hebben heel vlug het verlangen naar hervorming doen groeien. Zo ontstonden enerzijds meer locale reformatiebewegingen, anderzijds werden pogingen ondernomen vanwege generale oversten om de orde in haar geheel te hervormen.

De hervorming van Mantua (Italië) leidde tot het ontstaan van een afzonderlijke congregatie (1442-1783), die onder het bestuur van de zalige Joannes Baptista Spagnoli (1516) haar hoogtepunt bereikte. Van deze karmeliet moet vermeld worden dat hij voor één van de uitmuntendste dichters van zijn tijd werd gehouden. De reformatiebewegingen van Albi (Frankrijk, 1499-1599) en van Montoliveti (Italië, 1516-1599) waren beperkter in uitbreiding dan die van Mantua.

Het zal vooral onder het impuls van drie generale oversten zijn, dat op basis van constituties, pogingen werden ondernomen de Karmel in zijn geheel te hervormen. De zalige Joannes Soreth (1471) wenste per provincie enkele kloosters te zien die minstens de verzachte regel van 1432 zouden toepassen. Van hieruit kon dan de rest van de provincie hervormd worden. Zijn opzet lukte gedeeltelijk. Zijn werk werd in de zestiende eeuw voortgezet door Nicolaas Audet (1562), die vooral in Zuid-Europa voor hervorming geijverd heeft, en Joannes Baptista Rossi (1578), die gans Europa doorkruiste en in Avila de heilige Teresia toestemming gaf haar hervormingswerk voort te zetten en uit te breiden.

In de vijftiende eeuw bewerkte Joannes Soreth dat de Tweede en Derde Orde van de Karmel erkend werden. Reeds vroeger hadden vrouwen, levend in gemeenschap of alleen, de karmelregel als leefmodel gekozen en de geestelijke leiding van een karmeliet aanvaard. In 1452 echter vroegen de begijnen van Gelre de toestemming in de orde te worden opgenomen. Dit werd hen verleend door Nicolaas V op 7 oktober van hetzelfde jaar. Weldra rezen kloosters voor monialen op, voornamelijk in Bretagne, door toedoen van de zalige Francoise d'Amboise, hertogin van Bretagne (1485), die later zelf intrad te Nantes; in de Nederlanden werden karmelietessenkloosters gesticht te Nieuwkerk, Luik, Haarlem, Dinant, Hoei, Namen, Rotterdam, Leuven en Vilvoorde. Deze laatste karmel behoorde tot 1966 tot de Antieke Observantie (geschoeide Karmel); nu maakt dit klooster deel uit van de Teresiaanse Hervorming. Onder de karmelietessen van de niet-hervormde Karmel moet de heilige Maria Magdalena de'Pazzi gerekend worden (1607). Zij was bijzonder mystiek begenadigd.

Ook de Derde Orde, nu Lekenorde van de Karmel geheten, werd in de vijftiende eeuw erkend. Spoedig kende deze een grote uitbreiding. De regel werd meermaals aangepast om het karmelideaal ook voor leken toegankelijk te maken.

In de zestiende eeuw werd, ten gevolge van het protestantisme, aan de orde grote schade toegebracht. Ongeveer 120 kloosters, verdeeld over 6 provincies, werden vernield of afgeschaft. Omstreeks 1580 was het karmelitaans leven in de Noordelijke Nederlanden vrijwel verdwenen. Elders gingen sommige hervormers over tot extremen, zoals in de vijftiende eeuw Thomas Connectus (1433) het deed en in Vlaanderen veel succes oogstte.

Toch zou de Karmel rond 1600 een 12.000 karmelieten hebben geteld, verdeeld over 30 provincies. De vrouwelijke tak telde ongeveer 1.500 leden. Sommige provincies waren bloeiend, bvb. die van Castilië in Spanje; andere waren echter vrijwel verdwenen. In onze gewesten werd in 1597 een nieuwe provincie-indeling doorgevoerd. Voortaan zouden de kloosters van de Nederlanden, die tot nu toe tot de Franse provincie behoorden, de nieuwe provincie Belgica vormen.
 

 

                             

 

De Teresiaanse hervorming (16e eeuw)

Een levensschets van Teresia van Jezus (1515-1582) vindt u elders op deze website, alsook de politieke, culturele en religieuze leefwereld van deze heilige. Daarom worden in deze paragraaf slechts enkele krachtlijnen gegeven van de evolutie van de Karmel tijdens de Teresiaanse Hervorming.

Het hervormingswerk van Teresia wortelt in haar persoonlijke religieuze levensopgang en gebedservaring. In het karmelklooster van haar geboortestad, la Encarnación (de Menswording), waar ze in 1535 intrad, vond ze niet het geschikte klimaat om haar gebedshonger te stillen. De gemeenschap leefde volgens de verzachte regel. Bezield door een sterke contemplatieve en apostolische ijver besloot ze, na lang overleg, een klooster te stichten voor zusters, waar de regel van 1247 onverkort zou gevolgd worden. Zij wist de vereiste toestemming te bekomen. Op 24 augustus 1562 trekt ze zich met enkele zusters terug in het nieuw kloostertje van San José te Avila. De grondpijlers ervan zijn: armoede, afzondering, gebed.

Met de goedkeuring van de generale overste zal Teresia ook de mannelijke tak van de orde, in nauwe samenwerking met de heilige Johannes van het Kruis (1542-1591) hervormen. Zo ontstond in 1568 het eerste klooster van ongeschoeide karmelieten in Duruelo. In het geheel van Teresia's hervormingswerk speelt pater Jerónimo Gracián (1614) een belangrijke rol.

Moeilijkheden met de orde bleven niet uit. Overlappingen in de bevoegdheden van de generale overste, de provinciaal en de nuntius, zijn bron geweest van ernstige conflicten. De onenigheid bereikte een hoogtepunt in de gevangenneming van Johannes van het Kruis te Toledo. In de donkere gevangeniscel echter kwamen zijn mooiste gedichten tot stand.

Intussen had Teresia Spanje verrijkt met 15 nieuwe kloosters van ongeschoeide karmelietessen. De heilige zal haar zusters verder geestelijk bijstaan door haar geschriften: Weg van volmaaktheid, Innerlijke burcht, een Autobiografie, het verhaal van haar Kloosterstichtingen, ontelbaar vele brieven en korte traktaatjes. De gebedsomgang met God staat telkens centraal. Op zijn beurt en op zijn wijze zal Johannes van het Kruis zijn innerlijke ervaringen neerpennen in de vorm van systematische commentaren op zijn gedichten, die tot de zuiverste poëzie van het 16e eeuwse Spanje mogen gerekend worden: Geestelijk hooglied, Bestijging van de Berg Karmel, Donkere nacht, Levende vlam van liefde.

In 1580 maakte Teresia nog de oprichting mee van een afzonderlijke provincie van ongeschoeide karmelieten en karmelietessen. Door toedoen van de nieuwe provinciaal Nicolás Doria (1594) werd in 1587 een afzonderlijke congregatie met brede bevoegdheden opgericht. Waarschijnlijk tegen de wil in van Johannes van het Kruis werd de aloude Heilig Grafritus opgegeven om zo het verschil met de geschoeide Karmel beter te laten uitkomen. Doria verwijderde allen die zijn plannen in de weg stonden: Gracián werd uit de orde gestoten en Johannes van het Kruis stierf in ballingschap. Op 20 december 1593 werd de ongeschoeide Karmel een zelfstandige orde.

De uitbreiding van de Teresiaanse Karmel (17e eeuw)

In de zeventiende eeuw bereikten beide takken van de Karmel, nu twee afzonderlijke ordes, elk hun hoogtepunt.

Op het einde van de zestiende eeuw hadden de ongeschoeide karmelieten en karmelietessen reeds een klooster te Genua in Italië. Van hieruit zal in 1600 de Italiaanse congregatie ontstaan, die op haar beurt het hervormingswerk zal voortzetten tot in de missiegebieden toe. Ook Frankrijk kwam vanuit Spanje aan de beurt. Dank zij kardinaal de Bérulle en Madame Acarie (1618) kon Anna van Jezus (1621) het jonge karmelitaanse leven in 1604 naar Frankrijk overbrengen. Vanuit Frankrijk worden vervolgens de Spaanse Nederlanden bereikt. Anna van Jezus stichtte kloosters te Brussel en Leuven (1608). De zalige Anna van de heilige Bartholomeiis richtte op haar beurt in 1612 te Antwerpen de Rosier op, die tot op vandaag door de ongeschoeide karmelietessen bewoond wordt. Weldra volgden stichtingen van zusterkloosters te Doornik, Mechelen, Valenciennes, Antwerpen (Hopland), Gent, Ieper, Douai, Brugge, Lille, Luik, Aalst, Lier, Kortrijk, Hoei, Dendermonde, Ciney, Mol, Rochefort, Willebroek...

Anna van Jezus, vrezend voor een seculiere inmenging zoals dit in Frankrijk het geval was, haastte zich om ook ongeschoeide karmelieten naar de Nederlanden te doen overkomen: in 1610 werden ze te Brussel feestelijk onthaald. Net als de karmelietessen, zullen ook de paters op meerdere plaatsen al heel vlug eigen kloosters hebben: Leuven, Douai, Lille, Luik, Antwerpen, Marlagne, Leuven-missiehuis, Namen, Doornik, Saint-Omer, Brugge, Hoei, Mons, Gent, Ieper, Cambrai, Mechelen, Duinkerken, Dendermonde, Kortrijk, Valencien-nes, Jemeppe-sur-Meuse, Nethen, Roermond, Visé, Vilvoorde...

Weldra zou men overgaan tot stichtingen over heel Europa. Zo werden de stichtingen in de Zuidelijke Nederlanden de bakermat van de nieuwe Keulse en Bourgondische provincie. Verrassend snel konden de zusters zich verder inplanten in andere Duitse gebieden, in Polen, in Oost- en Zuid-Europa. In 1615 staken de paters over naar Engeland. Tenslotte werd in 1625 Ierland bereikt.

Het karmelitaans leven begon eveneens wortel te schieten in de Verenigde Provincies: ongeschoeide karmelieten stichtten missiehuizen te Leiden, Den Haag en Amsterdam (1648 tot 1669); ongeschoeide karmelietessen vestigden zich te 's Hertogenbosch (1624) en Oirschot (1644).

In 1581 reeds was het startsein gegeven om karmelmissionarissen uit te zenden. Pater Doria werkte dit aanvankelijk tegen, maar na zijn dood begon de verspreiding van de orde in de Islamitische landen en in Indië. In 1631 werd de Karmelberg in Palestina opnieuw karmelitaans erfgoed.

In 1617 werd de Belgische provincie opgericht, die in 1663 in de provincies Flandro-Belgica en Wallo-Belgica verdeeld werd. Opnieuw werden ze verdeeld in 1681 en in 1761. De provincie Wallo-Belgica werd opgesplitst in de provincies Leodensis (Luik) en Wallo-Belgica; de Flandro-Belgica in een Vlaamse en een Brabantse provincie. Op het einde van het Ancien-Régime telden deze vier provincies een veertigtal mannen- en vrouwenkloosters.

De hervorming van Touraine (17e eeuw)

Ook de geschoeide Karmel kende zijn hervormingsbeweging. Deze echter zou niet tot een afscheiding leiden. Zoals Johannes van het Kruis ondervond Philippe Thibault (1638) moeilijkheden om zijn contemplatief ideaal in de Karmel van zijn tijd te verwezenlijken. Ten gevolge immers van de godsdienstoorlogen was in Frankrijk de kloosterobservantie in de karmels niet bijzonder intens. Dikwijls moest elke karmeliet voor zichzelf instaan, waardoor het gemeenschappelijk leven niet werd bevorderd. Daarbij kwam dat sommige kloosters overbevolkt waren. Daarom dacht pater Thibault er over naar de ongeschoeide tak of de karthuizers over te gaan. Zijn generale overste raadde hem echter aan een hervorming van de Karmel, en meer bepaald van zijn eigen provincie, te verwezenlijken. Thibault vermeed bij zijn opdracht iedere splitsing. Hij paste het principe van Soreth toe: vanuit één hervormd klooster de rest van de provincie reformeren. Gesteund door Pierre Behourt (1633) en Louis Charpentier (1640) begon Thibault eerst de kloosters van Rennes en Angers te hervormen. Er werden nieuwe constituties opgesteld, waarbij aan het stil gebed en de antieke liturgie veel aandacht werd besteed; de armoede, onthechting en afzondering werden in ere hersteld.

De ware bezieler van deze beweging was echter de blinde broeder Jean de Saint-Samson (1636) die een persoonlijke stempel op de hervorming van Touraine zou drukken. Weldra bereikte de hervormingsbeweging ook de Nederlanden in 1624. De hervormers vonden hier een dankbare bodem voor hun werk. De weinig in aantal nieuw opgerichte kloosters in de 16e eeuw, kwamen het eerst in aanmerking om in de loop van de 17e eeuw in de geest van Touraine ingericht te worden. Nieuwe kloosters verschenen te Douai, Nieuwpoort, Bottelaar, Munsterbilzen, Waver, Wandre, Nijvel, Montignies-Saint-Christophe, Valenciennes-Bonne-Espérance, Wégimont; karmelietessenkloosters verschenen in Marche, Charleville, Ciney, Fumay , Rochefort... De verspreiding van de Touraine-beweging in de Nederlanden was voornamelijk het werk van Martin de Hooghe (1637), Lieven de Hondt (1641) en vooral van Michael a Sancto Augustino (1684).

Los van de hervorming van Touraine kende de geschoeide Karmel, zoals de ongeschoeide, eveneens zijn uitbreiding in de 17e eeuw, o.a. in Ierland; in 1687 vestigden de geschoeiden zich in Londen. In de Verenigde Provincies ontstond rond 1640 de zo genoemde Hollandse Missie met huizen in Amsterdam, Amersfoort, Rucphen en Rijswijk. In 1652 volgde een stichting te Boxmeer, waar ook een karmelietessenklooster werd gesticht in 1672.

In de Duitse en Oosteuropese gebieden werden verscheidene provincies opgericht of heropgericht. Ook in missiegebieden, voornamelijk in Brazilië, waren de geschoeide karmelieten werkzaam. Op het einde van het Ancien-Régime, telde de Karmel van de Antieke Observantie ongeveer 800 kloosters voor mannen en een honderdtal voor vrouwen, verdeeld over 46 provincies. De Groot-belgische provincie, die in 1630 was opgericht om vrijwel alle kloosters van de Nederlanden te verzamelen, werd in 1663 verdeeld over Vlaanderen en Wallonië. Het aantal kloosters in onze gewesten bedroeg in deze tijd, evenals voor de ongeschoeide Karmel, een veertigtal.

De Karmelorde tijdens het Ancien-Régime (17e - 18e eeuw)

Hoewel juridisch en historisch de beide karmeltakken gescheiden waren, kan men toch van een gemeenschappelijk ideaal spreken. De Antieke Observantie werd sterk beďnvloed door de geschriften van de Spaanse hervormers; anderzijds was de Teresiaanse Karmel niet onverschillig voor de werken van de Tourainer schrijvers. Beide orden hadden een te lange gemeenschappelijke evolutie achter de rug om elkaar te kunnen vergeten. De strijd tussen beide Karmels was overigens in de zeventiende eeuw geluwd.

In de Nederlanden had Anna van Jezus het Teresiaans ideaal weten te bewaren. Anna, de rechterhand van de Madre, werd hierbij geholpen door pater Thomas a Jesu (1627). Zelden hebben het contemplatief ideaal en de apostolische ijver zulk harmonieus samengaan gekend als bij deze karmeliet. Zo liet hij kluizenarijen oprichten, waarin de kloosterlingen zich voor een min of meer lange tijd in volle eenzaamheid konden terugtrekken. In onze gewesten ontstonden kluizenarijen in Marlagne (Namur) en Nethen (Leuven), terwijl op het einde van de 18e eeuw plannen werden gemaakt om er een nieuwe te Papinglo (Maldegem) te stichten. Ook de geschoeide Karmel had „eenzame” kloosters: te Liedekerke, Willerzie, Montignies-Saint-Christophe, ofschoon deze niet volledig overeenkwamen met de kluizenarijen van de ongeschoeiden.

Dezelfde Thomas a Jesu ligt aan de basis van een sterke missionaire beweging; zo droeg de Teresiaanse Karmel niet weinig bij tot de oprichting van de congregatie De propaganda fide in 1622.

Op spiritueel vlak bloeide de Hervormde Karmel in figuren als broeder Laurentius van de Verrijzenis (1668), de heilige Teresia Margareta Redi (1770) en vele andere. Heel wat opschudding verwekten in hun tijd het intreden in de Karmel van Louise de la Valličre (1710), minnares van Lodewijk XIV, en van Louise de France (1787), dochter van Lodewijk XV. Doctrineel werd de Teresiaanse leer gesystematiseerd door Philippe van de Drieëenheid (1671), op het ogenblik dat de befaamde Complutences en Salmanticenses (1724) hun opgang maakten.

Ook de geschoeide Karmel bereikte in de Nederlanden tijdens de zeventiende eeuw een hoog spiritueel niveau met Michael a Sancto Augustino (1684) die de mariologie en geschriften van zijn geestelijke dochter, de derde ordelinge Maria a Sancta Theresia (Petit) (1677) uitgaf. In Frankrijk verschenen de werken van Jean de Saint-Samson.

Verder zijn de uitgaven van Daniël a Virgine Maria (1678) te vermelden. Bekend is zijn strijd tegen de Bollandisten, die de eliaanse afstamming van de Karmelorde aanvielen.

Op het einde van het Ancien-Régime konden beide karmelfamilies op een stevige traditie van spirituele en intellectuele rijkdom terugblikken en aldus het karmelitaans leven op een hoog peil houden. Toch zullen beide ordes bijna de ondergang nabij zijn tijdens de Franse Revolutie en de omwentelingen van de negentiende eeuw.

Dieptepunt en restauratie (18e - 19e eeuw)

Op het einde van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw zal de Karmel een dieptepunt in haar geschiedenis kennen, ditmaal hoofdzakelijk veroorzaakt door externe factoren. Weliswaar stelt men een stagnatie vast in de groei van de orde. In Vlaanderen daalde het aantal geschoeide karmelieten van 707 in 1686 tot 389 in 1781. Er waren ook misbruiken. Op het einde van het Ancien-Régime moesten sommige kapittels het dragen van pruiken en kantwerk verbieden! De nachtwake en het vleesderven behoorden tot het verleden.

Een eerste externe factor van het dieptepunt was het Verlicht Despotisme. Reeds Maria-Theresia had enige maatregelen genomen die naar de opheffing van de Karmelorde moesten leiden. Zo mochten de geschoeide karmelieten geen novicen meer opnemen. In 1783 werden door keizer Jozef II de karmelietessenkloosters opgeheven. Velen vonden een onderkomen in Italië, Polen en Frankrijk, waar ze door Louise de France, tante van Lodewijk XVI en zelf karmelietes, gastvrij werden opgenomen. Na de Brabantse omwenteling keerden ze voor een korte tijd naar de Nederlanden terug.

Het is echter door de Franse Revolutie en de verspreiding van nieuwe ideeën door Napoleon dat de Karmel de grootste slag werd toegediend. Vele paters en zusters, onder wie de zalige karmelietessen van Compičgne (1794), moesten de trouw aan hun roeping met de dood betalen. In de Nederlanden werden kloosters gesloten (1796), talrijke kloosterlingen vervolgd en, zoals in Ieper, soms terechtgesteld. In het geheim kon het karmelleven te Gent, Antwerpen, Brussel en Brugge niettemin blijven voortbestaan.

Met de Franse buitenlandse overwinningen breidden de vervolgingen zich uit. In 1802 werden de kloosters van de linkerrijnoever ontvolkt; in 1804 die van de rechteroever. Ook in Beieren, Polen, Italië en Spanje werden de kloosterlingen uitgedreven. In vele landen zouden ze, door nationalistische en liberale bewegingen, in een latere faze opnieuw vervolgd worden.

Het resultaat van deze vervolgingsperiode was dramatisch voor de Karmelorde. In onze 32 gebieden verdween de geschoeide Karmel praktisch volledig: Boxmeer (paters en zusters) en Vilvoorde (zusters) waren de enig overgebleven getuigen van de eens zo bloeiende Antieke Observantie in de Nederlanden. In enige steden bleven de ongeschoeiden voortleven. Sommige provincies waren totaal vernietigd, zoals de Franse. Enkel in Italië, Galicië, Beieren en in enkele andere gespaarde gebieden kon men enige kloosters behouden. De meeste communiteiten mochten daarenboven geen novicen aanvaarden. De inzet van deze overgebleven karmelieten is dan ook bewonderenswaardig te noemen. Langzaam werd de ongeschoeide Karmel hersteld in België. In 1850 werd de flandro-belgische provincie heropgericht en in 1885 onderverdeeld in een Vlaamse en een Brabantse. In Frankrijk werden door Camilia a Puero Jesu (1849) de karmelietessen opnieuw te Parijs gevestigd en in 1835 zullen gevluchte Spanjaarden de ongeschoeide Karmel in Bordeaux herstellen.

De geschoeide karmelieten van Boxmeer en Straubing in Beieren liggen aan de basis van verschillende herstelde of nieuwe provincies, niet enkel in Europa maar zelfs in Amerika. In 1875 werd de Spaanse congregatie van de ongeschoeide Karmel, die nog slechts enige kloosters telde in Spanje zelf en Latijns Amerika, verenigd met de Italiaanse congregatie.

Ondanks de vele antireligieuze en nationalistische vervolgingen (Frankrijk: wetten van Combes; Spanje: omwentelingen in het midden van de negentiende eeuw; Italië: Rissorgimento) werd, de schade, toegebracht gedurende vele opeenvolgende decennia, voor een groot deel hersteld.

De hedendaagse Karmel

In de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw maakte de Karmel langzaam maar zeker een groeiperiode door. Weliswaar kenden beide Karmelordes hier en daar nog verliezen, maar in ruimte bleven deze beperkt, bvb. in Spanje tijdens de burgeroorlog. Enkel in Oost-Europa is na Wereldoorlog II de toestand zorgwekkend geworden.

De Antieke Observantie kon, dankzij het werk van Nederlandse en Duitse karmelieten, de verloren provincies voor een deel heroprichten. In België echter zijn de bloeiende provincies totaal verdwenen, evenals in Frankrijk, ondanks een restauratiepoging van 1876-1879 te Montpellier. Groot was de vreugde van de karmelieten toen ze in 1949 het aloude klooster van Aylesford (Engeland), één der eerste Europese stichtingen (1249) opnieuw konden betrekken. Voortaan zal de Angelsaksische provincie een van de bloeiendste zijn van de Antieke Observantie. Op missionair gebied werd het karmelitaans leven ingeplant o.a. in Latijns-Amerika en Indonesië. In 1980 telde de geschoeide Karmel ongeveer 2.100 mannelijke en 970 vrouwelijke religieuzen. De Derde Orde is zeer bloeiend, zowel de reguliere als de seculiere tak. Figuren als Titus Brandsma (1942) hebben bewezen dat de karmelieten tot het uiterste bereid waren getuigenis af te leggen van wat hen bezielde.

Ook de Hervormde Karmel was zeer actief op missionair gebied. In sommige landen hebben ze bloeiende provincies kunnen oprichten. Zo is de Vlaamse ongeschoeide Karmel de bakermat geweest van een intense missionering in India. Tevens zorgden ze ervoor dat de spiritualiteit van de orde, die door Teresia van Jezus en Johannes van het Kruis tot een hoogtepunt was gebracht, niet enkel bewaard kon blijven, maar verder doorgegeven, o.a. in tal van publicaties. In een tijd waar ascese en boete te veel als een doel op zich werden beschouwd, herinnerde de heilige Teresia van het Kind Jezus (1897, Lisieux) aan de voorrang van het vertrouwen en de liefde. Ze bracht de heiligheid in het bereik van allen, die de kleine weg in hun alledaagse bezigheden wensten te volgen. In Dijon leidde zuster Elisabeth van de Drieëenheid (1906) een uitzonderlijk mystiek leven. Ook Edith Stein (1942) heeft de Karmel verrijkt door leven en geschriften.

De ongeschoeide karmelieten tellen wereldwijd ongeveer 4.000 leden; de monialen 12.000, verspreid over 54 landen. Vlaanderen bezit 5 paterskloosters en 15 vrouwenkloosters. In Zweden is er eveneens een karmelietessenklooster dat in 1956 vanuit Vlaanderen gesticht werd, en een fraterniteit van paters, eveneens van hieruit gesticht in 1966. De Lekenorde van de Hervormde Karmel bestaat eveneens, zoals bij de geschoeide karmelieten, uit een reguliere en een seculiere tak. De reguliere Derde Orde is actief in de Nederlandse en de Belgische provincies: vermelden we voor Nederland de Karmel van het Goddelijk Hart van Jezus (gesticht in 1911) en voor België de Apostolische Karmel Sint- Jozef (gesticht in 1872 in Frankrijk).

Zowel de ongeschoeide als geschoeide Karmel hebben, vooral in de eerste helft van deze eeuw, een aantal leden gekend, die op intellectueel gebied hun orde grote diensten bewezen hebben. Hiernaast moet ook het apostolaat vermeld worden, waarbij vele karmelieten de Karmel een duidelijke profilering hebben bezorgd. Voor de Hervormde Karmel is dit hoofdzakelijk het bevorderen van het geestelijk leven, het aanleren van het inwendig gebed, de bewustmaking te leven in de tegenwoordigheid van God. De Vlaamse Teresiaanse Karmel heeft op dit gebied baanbrekend werk verricht met pater Gabriël van de H.M.-Magdalena (1953), pater Hiëronymus van de Moeder Gods (1959) en vele anderen tot op vandaag.

De beide karmelfamilies hebben hun constituties in postvaticaanse geest aangepast: voor de Antieke Observantie gebeurde dit in 1971, voor de Hervormde Karmel tussen 1967-1979. Bij de laatsten wordt de nadruk gelegd op het contemplatief charisma van de orde, waaruit op zijn beurt het apostolaat voortvloeit.

Wie meer wil vernemen over de hedendaagse karmel en haar organisaties kan terecht in onze publicatie "Nieuw Leven".

Besluit

Een terugblik op de zoëven geschetste karmelgeschiedenis laat zowel de gelijkenissen als verschillen t.o.v. de andere grote kloosterorden aan het licht komen.

Zoals andere orden, meer bepaald de bedelorden, heeft de Karmel hoogtepunten en depressies meegemaakt. Sommige depressies werden veroorzaakt door uiterlijke factoren, andere door inwendige, meestal door beide samen. Tevens kende de Karmel hervormingen en splitsingen, waarbij deze geenszins het verloochenen, maar veeleer het verdiepen van de eeuwenoude traditie wilden bevorderen.

Ook heeft de Karmel originele kenmerken, vooral wat het ontstaan van de orde betreft: geen gekende stichter of stichtingsdatum, een regel die een reeds bestaande situatie bekrachtigt en opgesteld is door een buitenstaander, het ontstaan in het Oosten, de overgang naar het Westen en de aanpassing aan nieuwe omstandigheden.

Doorheen dit alles heeft de orde haar fysionomie weten te bewaren en meer nog, ze heeft zich door de gebeurtenissen verrijkt; dit alles in trouw aan haar oorspronkelijk charisma.

 

Originele tekst: Michel van Meerbeeck en Lieven Vanderbrugghen

   
 

Copyright ©  Vlaamse Karmel
Burgstraat 46
9000 Gent
Tel: 032 (0)9/225 57 87