| |
Wanneer we foto's van Edith Stein bekijken, maakt zij
een zeer strenge indruk. Dit beeld staat in contrast met het getuigenis
van mensen die haar werkelijk goed gekend hebben. Haar geestelijk
raadsman, abt Raphael Walzer heeft over Edith Stein gezegd: "Zelden
heb ik iemand ontmoet die zoveel en zo voortreffelijke eigenschappen in
zich verenigt. Bovendien was zij de eenvoud en bescheidenheid in
persoon. Zij was op en top vrouw gebleven met tedere en echt moederlijke
gevoelens, zonder nochtans iemand te willen bemoederen. Mystiek
begenadigd in de ware zin van het woord miste zij alle schijn van
gezochtheid of berekening. In haar omgang met eenvoudige mensen was zij
eenvoudig, met de geleerden geleerd zonder de minste arrogantie; met de
zoekenden was zij een zoekende, en ik zou er haast aan toevoegen: met
zondaars een zondares. "
In dit getuigenis komt zij ons veel dichter bij en is zij één van de
onze. Ze wil ons bij de hand nemen en ons tonen hoe we kunnen wandelen
in het licht van de Waarheid. De weg naar de waarheid is steeds meer een
loslaten, prijsgeven, afdalen in navolging van Diegene die zegt: "Ik
ben de waarheid de weg en het leven."
Om het met de woorden van een groot, hedendaags filosoof, Karl Jaspers,
te zeggen: "De waarde van een mens drukt zich niet uit in zijn
prestaties, zijn virtuositeit of zijn verstand. Waardevol is een mens,
wanneer van hem of haar een reinigende werking uitgaat, wanneer hij of
zij een kracht uitstraalt die ons doet groeien. "
Edith Stein straalt deze kracht zeker uit en graag zou ik u willen tonen
hoe wij, dankzij haar boodschap kunnen groeien. "Op 12 oktober 1891
werd ik, Edith Stein, dochter van de overleden koopman Siegfried Stein
en zijn echtgenote Auguste, geboren Courant, geboren in Breslau. Ik ben
Pruisisch staatsburger en jodin". Met deze woorden begint de
levensloop, geschreven door Edith Stein, in het nawoord van haar thesis
voor het behalen van de titel van Doctor in de wijsbegeerte.
Het zijn geen formele bewoordingen maar een geleefd getuigenis. Als
jodin zal ze vermoord worden.
Het was niet alleen "zomaar" een 12de oktober maar in het jaar
1891, was dit Jom Kipoer, de Grote Verzoendag. Zowel voor Edith Stein
als voor haar moeder was deze geboortedag van zeer grote symbolische
betekenis.
De Talmoed zegt: "Jom Kipoer verzoent de overtredingen van de mensen
tegenover God; de overtredingen tussen de mens en zijn naaste verzoent
Jom Kipoer pas wanneer hij zijn naaste welgevallig heeft gemaakt." Een vergelijkbare tekst vinden wij terug bij Matteus: "Als gij uw
gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw
broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga
u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te
bieden." (Mt 5;23-24)
Jom Kipoer of Grote Verzoendag is het indrukwekkendste feest in het
jodendom. De tien boetedagen die met Rosj Hasjana beginnen en eindigen
op Grote Verzoendag zijn een periode van bezinning en omkeer waarmee men
zich bij het begin van het nieuwe jaar voorbereidt op de verzoening met
God en de medemens. Het is dus zeker niet zó verwonderlijk dat Edith
Stein steeds een zeer diepe zin voor het plaatsvervangend offer heeft
gehad. Zelf schrijft zij: “De grootste joodse feestdag is de
Verzoendag: de dag waarop eens de Hogepriester het Heilige der heiligen
binnentrad en het zoenoffer voor zichzelf en heel het volk opdroeg,
nadat eerst de 'zondebok', waarop alle misdaden van het volk geladen
waren, de woestijn was ingedreven. Dit is alles nu niet meer. Doch ook
nu nog wordt de dag biddend en vastend doorgebracht en wie nog iets voor
zijn Jood-zijn voelt, gaat op die dag naar de 'tempel'. Op de vooravond
moest men het avondeten reeds bij klaarlichte dag gebruiken; als de
eerste ster aan de hemel stond begon de dienst in de synagoge. Op deze
avond ging mijn moeder niet alleen, maar haar grotere dochters
begeleidden haar en ook mijn broers beschouwden het als een ereplicht,
niet te ontbreken. De prachtige, oude melodieën lokten zelfs
andersdenkenden... Wij, kleineren, gingen naar de plechtigheid voor de
gestorvenen; mijn moeder stond daarop, omdat we daarbij aan vader
moesten denken. Thuis brandden dan dag en nacht twee grote, dikke
kaarsen ter herinnering aan de doden... Voor mij had die dag nog een
bijzondere betekenis: ik was op Verzoendag geboren en mijn moeder heeft
die dag steeds als mijn geboortedag beschouwd ofschoon de dag voor de
gelukwensen en geschenken, 12 oktober was. Zij heeft aan dit feit altijd
grote waarde gehecht en ik geloof dat dit meer dan al het andere ertoe
heeft bijgedragen om haar jongste kind voor haar bijzonder dierbaar te
maken."
Haar vader sterft als Edith Stein twee jaar oud is en haar moeder neemt
niet alleen de opvoeding van zeven kinderen op zich maar ook de leiding
van een houthandel. In de ogen van Edith was haar moeder hét voorbeeld
van de sterke, zelfbewuste en zelfstandige vrouw. Toch weet moeder Stein
haar resultaten te relativeren en ze is er vast van overtuigd dat haar
succes niet uitsluitend te wijten is aan haar eigen prestaties maar aan
de hulp van God, de God van Abraham, Isaak en Jakob.
Dit weerspiegelt zich ook in het leven van Edith Stein: al onze
culturele en intellectuele prestaties zullen ons niets menselijker
maken, wanneer wij daarbij de dialoog met God vergeten, een uiterst
dringende boodschap aan onze hedendaagse ellebogenmaatschappij. Reeds in
haar prille kinderjaren is het duidelijk dat Edith ver boven het normale
begaafd is en ze is er zich van bewust! Ze voelt zich superieur t.o.v.
anderen en werkt ook dominerend. Deze niet zo fraaie eigenschappen
worden wel gecompenseerd door een enorme werkkracht en inzet.
Op de leeftijd van 15 jaar komt ze in een "puberteitscrisis" en
wil ze niet meer studeren. In Hamburg gaat ze haar zus helpen in het
huishouden. In deze familie (grootstad!) wordt er niet meer gebeden en
ook Edith geeft bewust het bidden op. Maar ze zal deze crisis overleven
en keert terug naar Breslau en de studie. Wat haar ontgoocheld had in
Hamburg was de burgerlijke bekrompenheid. Reeds hier ziet men haar drang
naar waarheid. In deze bekrompenheid kon de waarheid niet te vinden
zijn. Spijtig genoeg had de agressie tegen de kleinburgerlijkheid zich
eveneens gericht tegen de religie en in haar jeugdige overmoed had Edith
Stein hiermee drastisch alles over boord gegooid. Het zoeken naar de
waarheid komt nu volledig op de voorgrond te staan: Wat is de mens? Wat
is persoon? Wat is de ziel? Aanvankelijk zal zij naar een antwoord
zoeken in de psychologie, toen een zeer jonge wetenschap om dan zich
meer en meer naar de filosofie te wenden en meer bepaald de
fenomenologie.
Onder leiding van Edmund Husserl was er namelijk in Göttingen een nieuwe
filosofische school ontstaan. De slogan van Husserl en hiermee ook van
de fenomenologen was: "Zu den Sachen selbst!" - naar de dingen,
naar de zaken zelf. In deze benadering werd alle aandacht gewijd aan een
nauwkeurige beschrijving van het fenomeen. Deze zeer nauwkeurige
benadering, met methoden uit de exacte wetenschappen, sprak de kritische
geest van Edith Stein sterk aan en daarom verliet zij Breslau om in
Göttingen, bij Edmund Husserl, filosofie te gaan studeren. In Göttingen
zal ze leren het leven niet alleen te beoordelen met het verstand maar
ook in een existentiële overgave. Dit gaat gepaard met een belangrijke
innerlijke strijd op een ogenblik in haar leven waarop er ook van haar
op intellectueel vlak zeer veel verlangd wordt. Zij bereidt zich voor op
het staatsexamen en begint gelijktijdig aan haar doctoraatsthesis. Zij
schrijft in haar autobiografie: "Langzaam groeide in mij een echte
vertwijfeling. Het was de eerste keer in mijn leven, dat ik voor een
opgave stond die ik met mijn wil niet kon bedwingen. Zonder dat ik het
wist hadden de kernspreuken van mijn moeder: "Wat men wil, dat kan men"
en "Zoals men zich iets voorneemt, zo helpt ons God", zich diep in mij
geprent. Vaker had ik mij er op beroemd dat mijn kop harder was dan de
dikste muur en nu stiet ik mijn kop kapot en wilde de onverbiddelijke
muur niet wijken. Dat ging zo ver, dat het leven mij ondraaglijk scheen.
Ik zei vaak tot mezelf dat het dwaas was. Als ik de doctoraatsthesis
niet klaar kreeg, zou het toch zeker voldoende zijn voor het
staatsexamen; en als ik geen grote filosofe kon worden, dan toch zeker
nog wel een bruikbare lerares. Maar al die verstandelijke redenen
hielpen niets. Ik kon niet meer over straat gaan zonder te wensen dat ik
door een wagen zou overreden worden. Wanneer ik een tocht maakte, hoopte
ik dat ik naar beneden zou storten en niet meer levend terugkomen.
Niemand vermoedde waarschijnlijk, hoe het er in mijn binneste uitzag. In
de filosofische kring en op Reinachs werkcollege was ik gelukkig bij de
gemeenschappelijke arbeid ik vreesde alleen het einde van deze uren,
waarin ik mij geborgen voelde, en het herbeginnen van de eenzame strijd
"
Deze Adolf Reinach, medewerker van Husserl zal op Edith Stein een grote
invloed uitoefenen. Reinach was eveneens jood maar in 1914 had hij zich,
samen met zijn vrouw protestants laten dopen. Reinach was een gekend
folosoof uit de school van Husserl, briliant en gewaardeerd door zijn
studenten, maar toch voelde Edith aan hoe hij vanuit een andere bron leefde.
In de Eerste Wereldoorlog werd hij aan het front geroepen en vandaaruit schreef hij aan Edith Stein dat hij zich voortaan niet meer wou
bezighouden met filosoferen maar wel met voor mensen de weg te banen
naar het geloof. Het echtpaar Reinach, Reinachs zuster Pauline, de
fenomenoloog Max Scheler zijn mensen die de mening zijn dat alleen de
godsdienst de mens tot mens maakt. Edith Stein kijkt bewonderend naar
hen op: niet meer de wetenschap staat op de voorgrond maar de mens als
geheel.
In 1917 sneuvelt Adolf Reinach. Edith Stein gaat de weduwe Anna Reinach
helpen bij het classificeren van de nagelaten werken. Edith Stein moet
vaststellen dat Anna Reinach opkijkend naar het Kruis, haar eigen kruis
kan aanvaarden. Later zal ze hierover vertellen: "Het was mijn eerste
ontmoeting met het Kruis en de kracht die ervan uitgaat voor diegenen
die het Kruis aanvaarden. Het was het ogenblik waarop mijn ongeloof
instortte, het jodendom verbleekte en Christus stralend opging Christus
in het geheim van het Kruis." Tot zover dit citaat opgeschreven door
haar novicemeesteres en eerste biografe Teresia Renate Posselt. Hierin
erkende Edith het verschil tussen een theoretisch analyseren van een
religieus fenomeen, zoals ze het in haar thesis nog vermeld had en het
gewaar worden van een transcendente wereld.
Na deze ervaring begint Edith Stein het Nieuwe Testament (1917!) te
lezen. Maar de doorbraak is er nog niet. Inzicht en overgave strijden
nog tegen elkaar. Maar het haast ongemerkt omgevormd worden gaat verder.
In 1917 promoveert zij ‘summa cum laude’ tot doctor in de filosofie op
de thesis: "Zum Problem der Einfühlung - Das Einfühlungsproblem in
seiner historischen Entwicklung und in phanomenologischer Betrachtung".
Zowel op wetenschappelijk vlak als in haar privéleven kent zij heel wat
ontgoochelingen. Ze is haar zeer vereerde leermeester Husserl gevolgd
naar Freiburg maar de samenwerking vlot niet. Haar pogingen te
habiliteren, het recht om te doceren aan een universiteit, mislukken
omdat de tijd niet rijp is om een vrouw te aanvaarden op een leerstoel
filosofie maar eveneens en in toenemende mate omdat ze jodin is. Haar
diepe genegenheid voor Hans Lipps wordt niet beantwoord. Enkele jaren
later zal hij haar wel ten huwelijk vragen maar dan heeft zij reeds een
andere keuze gemaakt. Maar wat vanuit ons menselijk standpunt, op een
bepaald ogenblik als tegenspoed ervaren wordt, kan ook het inwerken zijn
van Gods genade. Niet zelden doorkruist God onze menselijke plannen
en vervult onze dromen op een andere wijze. In "Endliches und ewiges
Sein" schrijft Edith Stein later: "Het redenerend vermogen vormt
scherpe begrippen, maar ook zij vermogen de Ongrijpbare niet te grijpen;
zij verwijderen Hem zelfs naar de verte, die alle begrippen eigen is. De
weg van het geloof schenkt ons veel beter dan de wijsbegeerte de God van
de persoonlijke nabijheid de liefdevolle en goedertieren God. Daarbij
heeft het geloof een zekerheid zoals geen enkele natuurlijke kennis die
bezit. Toch blijft de weg van het geloof een duistere weg. De denker die
de maatstaf van de natuurlijke kennis aanlegt, schrikt steeds terug voor
de sprong over de afgrond. De gelovige springt er gemakkelijk over, de
ongelovige blijft er voor staan." Ook voor haar blijft aanvankelijk
nog de schrik bestaan voor deze sprong of beter de stap van inzicht naar
overgave.
Het uur der genade komt voor Edith Stein in de zomer van 1921 in
Bergzabern. Edith Stein is er te gast bij het bevriend
filosofenechtpaar Conrad-Martius. Op een avond heeft zij de thuiswacht.
Zij schrijft: "Op goed geluk pakte ik een dik boek. Het droeg de
titel 'Leven van de Heilige Teresia van Avila, door haarzelf
beschreven’. Ik begon te lezen, was meteen geboeid en hield niet op
voordat ik het uit had. Toen ik het boek sloot zei ik tot mezelf: "Dat is
de waarheid!" In het levensverhaal van Edith Stein komt deze weg
duidelijk naar voor: eerst wordt een diepere dimensie ontsloten op het
vlak van het denken, vervolgens zijn er levensechte ontmoetingen,
tenslotte weet zij dat zijzelf aangesproken wordt en uitgenodigd. Deze
weg kan duidelijk aangetoond worden en het is haar groei naar
geestelijke grootheid maar méér nog: in deze weg laat God zich als God
zien! Hartstochtelijke liefde voor de waarheid sluit inzet voor de
medemens in. De weg naar God gaat via de medemens. Door contact met de
medemens komt Edith Stein ook in contact met de Schrift. De wijze waarop
de Schrift in het leven van Teresa van Avila gestalte krijgt laat dan
het antwoord van Edith Stein op Gods uitnodiging rijpen en vorm krijgen.
Op 1 januari 1922 wordt ze in Bergzabern gedoopt op de namen Edith,
Teresia en Hedwig. Op het feest van Maria Lichtmis 2 februari 1922
ontvangt zij in Speyer het vormsel. Prelaat Schwind van Speyer zal
ervoor zorgen dat Edith Stein zich verder kan verdiepen en inleven in
het katholiek geloof door haar een plaats te bezorgen aan het St.
Magdalena Lyceum en het daarmee verbonden instituut voor de opleiding
van onderwijzeressen. Tussen filosoferen en geloven ligt er een kloof,
die onoverbrugbaar kan lijken maar vanuit het geloof gezien is dit niet
waar. Aanvankelijk heeft Edith Stein dit inderdaad als een kloof
ervaren: na haar doopsel concentreert zij zich volledig op de
consequenties hiervan: gebed en meditatie. Maar toenemend beseft zij dat
men wetenschap ook als godsdienst kan bedrijven. Vanaf dat ogenblik zal
zij ook weer aan publicaties werken en voornamelijk talrijke
voordrachtreizen ondernemen. Zij ziet af van een academische loopbaan,
concentreert zich op haar geloofsleven maar vanuit een gans andere
instelling en motivatie herstart zij haar wetenschappelijk werk. Wij
vinden bij Edith Stein steeds een kordate bereidwilligheid om achter te
laten, te verliezen en prijs te geven maar om in het verder verloop tot
een nieuwe synthese te komen.
Vanaf haar vormsel was prelaat Schwindt uit Speyer haar geestelijk
leidsman. In 1927 overlijdt hij plots en onverwacht. Pasen 1928 viert
Edith Stein samen met de Benedictijnen in de aartsabdij Beuron. Aartsabt
Raphael Walzer zal voortaan haar geestelijk leidsman worden. Raphael
Walzer was met nog geen volle dertig jaar aartsabt geworden. In 1928 was
hij met zijn veertig jaar net drie jaar ouder dan Edith Stein. Hij zag
zijn taak als geestelijk leidsman niet als bijzonder moeilijk,
integendeel het was een oogsten van wat andere op spiritueel vlak
gezaaid hadden en verder door haarzelf verwerkt was. Abt Walzer was
overtuigd dat Edith haar talenten niet alleen in dienst moest stellen
van de wetenschap maar ook van de vrouw in de kerk en de maatschappij.
Edith ging hierop in en verschoof hiermee haar intrede in de Karmel voor
onbepaalde tijd. Lezingen en reizen namen toe: Freiburg, Munchen,
Keulen, Munster, Heidelberg, Ludwigshafen, Augsburg, Bensdorf, Aken,
Zurich, Wenen, Praag, Basel, Parijs-Juvesy en Salzburg. Haar dagelijkse
ervaring als lerares doen haar ook inzien dat er heel wat mank loopt in
verband met het opvoedkundig systeem van die tijd, voornamelijk ten
opzichte van de vrouw. De inzet voor de rol van de vrouw in kerk en
maatschappij zal één van haar prioriteiten worden.
In een voordracht die Edith Stein gehouden heeft op 8-11-1930 voor het
onderwijzend personeel van de Duitse katholieke vrouwenbond, zegt zij
het volgende: (ESW V, 122) "Ons geheel opvoedingswezen verkeert reeds
tientallen jaren in een crisistoestand. Er werd en wordt om hervormingen
geroepen en aan alle hoeken en kanten hééft men hervormd. Ofschoon uit
het chaotisch geharrewar van richtingen enkele grote lijnen te halen
zijn, krijgt men toch het gevoel, dat het nog geenszins gaat om een
rustige, hecht gefundeerde ontwikkeling, maar om voorbereidende
experimenten. De vorming van de vrouw deelt in de algemene crisis en
heeft bovendien haar eigen speciale problemen en moeilijkheden...
De ‘oude school’ is in wezen een kind van de Verlichting. Het
vormingsideaal dat daar voor ogen stond, was een zo volledig mogelijk
encyclopedisch weten; men begon met de ziel als tabula rasa te
beschouwen, waarop door verstandelijke opneming en geheugenwerk zoveel
mogelijk 'geschreven' moest worden." Ze vervolgt: "Vorming is
niet een uiterlijk bezit van kennis, maar de gestalte die de menselijke
persoonlijkheid aanneemt door de inwerking van velerlei vreemde
krachten, resp. het proces van deze vorming. Het materiaal dat gevormd
moet worden is, eerst en vooral, de aanleg van ziel en lichaam, welke de
mens meebrengt op de wereld, en dan het geheel der opbouwstoffen, die
bestendig van buiten opgenomen en in het organisme moeten worden
ingelijfd. Het lichaam ontneemt ze aan de materiële wereld de ziel aan
haar geestelijke omgeving, aan de wereld van personen en goederen, welke
voor háár voeding bestemd zijn. De eerste en fundamentele vorming komt
altijd van binnen uit."
Vorming heeft dus meer te doen met een rijping tot een eigen gestalte.
Zo is de "innerlijke vorm" van de vrouw de aanzet en het doel van
de specifieke vorming van de vrouw, die alleen op grond daarvan -
afgezien van alles wat zij met de man gemeenschappelijk heeft -
gescheiden dient te worden van de specifieke vorming van de man. In vele
van haar voordrachten is er een verwijzing naar de openbaring. Voor haar
was het licht van de openbaring het beslissende licht. Ze leefde
hiernaar en wou ik ook anderen de toegang geven tot dit beslissende
licht. Dit werd niet altijd door haar toehoorders aanvaard. We weten dit
uit commentaren op haar voordrachten.
Vermits we ons in de advent bevinden zou ik ook willen verwijzen naar
een andere voordracht uit dezelfde periode, januari 1931: "Het
Kerstmysterie". Ze beschrijft hoe het goddelijk kind in de kribbe de
handjes uitstrekt naar ons en deze handjes genadegevend zijn: "Deze
handen geven en eisen terzelfdertijd: Gij, wijzen legt uw wijsheid neer,
en wordt eenvoudig als de kinderen; Gij, koningen schenk uw kronen en
schatten en buig deemoedig voor de Koning der koningen; neem zonder
aarzelen moeite en lijden en klachten op u, die zijn dienst verlangen.
Gij, kinderen die nog niet in staat zijt iets te geven, uw teder leven
wordt genomen door de beul nog voor het begonnen was. Het kan niet beter
besteed worden als opgeofferd te worden voor de Heer des levens."
Deze uitgestrekte handen van het goddelijk kind vragen maar één ding
maar dan ook in een onvoorwaardelijke inzet: Navolging. Deze navolging
is geen ter plaatse trappelen in een sentimentele sfeer van kerstmis
maar gaat naar Golgotha. In 1930-1931 verwijst Edith Stein reeds naar
een fenomeen dat ook in onze tijd zeer actueel is. Het Kerstmysterie
zoals het voorgesteld wordt door Edith Stein is zeker niet zacht en
zoeterig en nog minder vrijblijvend. Het stelt ons voor de beslissende
keuze tussen Licht en Duisternis.
Velen die haar gehoord hebben en haar werken gelezen hebben, moedigen
haar aan een nieuwe poging te ondernemen tot habilitatie, het recht om
aan een universiteit te doceren. Hiervoor zal ze Speyer verlaten en een
plaats aanvaarden in Munster. Ze kan echter nog geen volledig jaar aan
het Hoger Pedagogisch Instituut les geven want 1933 wordt Hitler
rijkskanselier. De ariërparagraaf verbiedt Edith Stein nog verder les te
geven of in het openbaar op te treden.
Op 30 april 1933, de zondag van de Goede Herder of roepingen zondag,
gaat zij in Munster in de Ludgerikirche en tijdens de aanbidding vraagt
zij God om duidelijkheid wat haar eigen roeping betreft. Bij de
slotzegen was zij overtuigd van het ja woord van de Goede Herder. 14
oktober 1933 wordt zij opgenomen in de Karmel van Keulen. Als
kloosternaam kiest zij Teresa Benedicta a Cruce. Twee aspecten zijn
hierin belangrijk: Teresa, uiteraard verwijzend naar Teresa van Avila, en
het Kruis. Het leven en het werk van Teresa van Avila en Edith Stein
zijn zeer sterk met elkaar vervlochten.
Het tweede aspect van haar kloosternaam is het Kruis. Wat zegt Edith
Stein zelf over de keuze van haar kloosternaam? In een brief van 9-12-1938 (dus na de Reichskristalnacht) schrijft zij aan Zuster Petra
Bruning in Dorsten: "Ik moet U zeggen dat ik mijn kloosternaam reeds
als postulante mee in het huis gebracht heb. Ik kreeg de naam zoals ik
er om gevraagd had Onder het Kruis verstond ik het noodlot van het Volk
Gods, dat zich toen al begon aan te kondigen. Ik dacht, dat voor
diegenen die het konden verstaan, dat het kruis van Christus was en dat
zij het op zich moesten nemen in naam van allen. Zeker weet ik nu beter
wat het betekent de bruid van de Heer te zijn in het teken van het
Kruis. Begrijpen zal men het nooit want het is een geheim." Edith
Stein verwijst naar het noodlot van het "volk Gods". Naarmate de
situatie van het joodse volk steeds benarder werd, groeide bij Edith
Stein ook het gevoel van solidariteit met haar volk - het uitverkoren
volk, waarmee God een verbond gesloten had en God heeft dit verbond
nooit opgezegd.
Zeer mooi zal zij de betekenis van het kruis uitwerken in haar laatste,
onvoltooid gebleven werk: Kreuzeswissenschaft of De wetenschap van het
Kruis. Het is niet alleen een studie over Sint Jan van het Kruis maar
ook een behoedzame en heldere, eerlijke en overtuigende benadering van
het geheim van het Kruis - het Kruis van Christus, van de schepping, van
iedere God zoekende mensenziel. Dit werk wijst naar een bewuste en
beleefde zin van het vaak als zinloos ervaren menselijk lijden. Daarom
blijft de 'wetenschap van het Kruis' actueel. Zij is een hoopvolle
wetenschap: "Hoe volmaakter de actieve en passieve kruisiging zal
zijn, des te inniger zal de vereniging met de Gekruisigde zijn en des te
rijker het aandeel in het goddelijk leven."
Toch moeten we ook de kritiek ernstig nemen van mensen, die beweren dat
Edith Stein het klooster binnen gevlucht was om aan de jodenvervolging
te ontsnappen. Niets is minder waar. Een vriendin die Edith Stein kwam
bezoeken, bracht te berde dat zij hier in de Karmel toch wel goed
geborgen zou zijn. Onmiddellijk antwoordde Edith Stein: "Neen, dat
denk ik niet. Men zal mij hier vast en zeker uithalen. Ik zal er in geen
geval kunnen op rekenen, hier met rust gelaten te worden." Op 15
april 1934 is het inkledingsfeest. Nooit waren er zoveel voorname gasten
in de Karmel van Köln-Lindenthal, het leek wel op een filosofencongres. Edmund Husserl had bruidsvader kunnen zijn, hij stuurde een telegram
maar kwam niet. Later had hij er spijt van. Alleen de eigen familie van
Edith was niet op het feest. De homilie werd gehouden door haar
geestelijk raadsman aartsabt Rafael Walzer, hoofdcelebrant was de
provinciaal van de Beierse provincie van de ongeschoeide karmel Theodor
Rauch OCD. Een belangrijk getuige aangaande haar roeping voor de Karmel
is haar geestelijk leidsman Abt Raphael Walzer, die haar werkelijk
begeleid heeft vanaf Pasen 1928 tot bij haar inkleding. Zijn getuigenis:
"Wanneer men iemand in de ware zin van het woord als intellectueel
wil bestempelen, dan is het wel Edith Stein. Zijzelf zou het als
hoogmoed bestempelen, zichzelf tot deze klasse te rekenen. De grote
Teresia kent maar één klasse van zusters, die gewoonlijk met niet meer
dan 21, onder gelijke omstandigheden samenleven. Edith had zich het
kleine klooster in Keulen zeker niet uitgezocht in de hoop er een
priorin te vinden met een academische opleiding of zich in een kring van
zulke zusters te kunnen bewegen. Zo ver mij bekend was zij de enige met
een academische titel. Of zij verder wetenschappelijk werk zou mogen
doen, of men er haar zou toe aanzetten of zelfs onder de gelofte van de
gehoorzaamheid er haar toe verplichten, waren allemaal punten waar zij
helemaal geen aandacht aan besteedde. Men kan zich moeilijk voorstellen
wat dit alles betekende voor een geest die werkelijk naar kennis en
wetenschap hongerde. En inderdaad, het dagelijks samenleven in een
streng slotklooster, ruimtelijk ook beperkt midden in de stam leek me
zelfs voor een heroïsch aangelegde natuur zoals die van Edith Stein, een
zeer gewaagde onderneming. Maar ik vergiste mij volledig. Bij het
inkledingsfeest (1934) had ik de mogelijkheid haar onder vier ogen te
spreken - voor de laatste keer. Ik vroeg haar direct en zelfs
ondiplomatisch te antwoorden op de vraag hoe zij zich had kunnen inleven
in de gemeenschap van haar medezusters. Wat ik verwacht had werd mij
bevestigd. Met de voor haar zo eigen levendigheid en vurige natuur gaf
zij mij ten antwoord dat ze zich volledig thuis voelde naar hart en
ziel. Het leek mij het resultaat te zijn van een natuurlijke
ontwikkeling binnen een bovennatuurlijk groei tot volwassenheid ".
Mede dankzij Abt Walzer en de provinciaal van de Karmel, Theodor Rauch,
zal Edith Stein de mogelijkheid krijgen in de Karmel verder te werken
aan haar filosofisch werk. In de Karmel van Keulen komt haar
belangrijkste filosofisch werk tot stand "Endliches und ewiges Sein".
In een vergaande verdieping betrekt Edith Stein nu in haar filosofie ook
de geopenbaarde waarheid. Het wordt een synthese van de fenomenologie en
de thomistische wijsbegeerte. Zijzelf zegt in Endliches und ewiges Sein:
"Er is een Zijn, dat voor de natuurlijke ervaring en voor het
verstand ontoegankelijk is, dat ons door de openbaring bekend gemaakt
wordt en de geest die het opneemt voor nieuwe opgaven stelt."
Op 14 september 1936 overleed moeder Stein op 87-jarige leeftijd aan
maagkanker. Zij sterft op het feest van Kruisverheffing, net op het
ogenblik waar, naar jaarlijks gebruik, de kloostergeloften hernieuwd
worden. In een brief van 4 oktober 1936 aan Zuster Callista in Speyer
schrijft Edith: "Mijn moeder heeft tot op het laatste vast gehouden
aan haar geloof. Maar vermits haar geloof en het vast vertrouwen in haar
God stand gehouden hebben van in haar vroegste kinderjaren tot op de
leeftijd van 87 jaar en dit het het laatste was dat in haar zware
doodsstrijd in haar levendig bleef, daarom heb ik het vast vertrouwen
dat zij een genadige rechter gevonden heeft en zij nu mijn trouwste
helpster is zodat ook ik het doel kan bereiken." In deze brief ziet
men duidelijk dat er voor Edith geen breuk is tussen jodendom en
christendom. Voor haar is Christus de vervulling van het joods geloof.
Zus Rosa die haar moeder tot op het laatst verzorgd had en ook het enige
contact was tussen Edith en haar moeder, komt naar Keulen en wordt op
kerstavond 1936 eveneens katholiek gedoopt. Edith Steins innerlijke rust
en geborgenheid in God moeten het al gauw opnemen tegen de
stroomversnellingen van de uiterlijke ontwikkelingen.
In de nacht van 9 op 10 november1938 staat de wereld in brand: de
Reichskristallnacht: vele joden worden vermoord, bijna alle synagogen
worden plat gebrand.
Edith Stein wenst de Karmel in Keulen niet door haar aanwezigheid in
gevaar te brengen. Oudejaarsavond 1938 wordt zij door Dr. Paul Strerath,
volledig wettelijk over de Duits-Nederlandse grens naar Echt gebracht.
In Echt wordt zij door haar medezussen ervaren als een eenvoudig, wijs
iemand, rustig en zusterlijk, als iemand in wie de eenvoud en de
verhevenheid van het karmelleven gestalte hebben aangenomen. Gods geheim
in haar innerlijk bleef geheim, maar haar leven getuigde ervan. In Echt
schrijft zij naar aanleiding van de 400ste verjaardag van St Jan van het
Kruis het reeds vernoemde werk Kreuzeswissenschaft. Het werk, "Kreuzeswissenschaft",
blijft onvoltooid. Nadat Edith op ontroerende wijze de dood van de grote
kruisminnaar, haar geestelijke vader Johannes van het Kruis, heeft
weergegeven, breekt het manuscript af.
Op 11 juli 1942 protesteren de Nederlandse kerken in een telegram tegen
de jodenvervolging. Op 20 juli volgt een herderlijk schrijven van de
Nederlandse bisschoppen waarin het telegram wordt opgenomen. Dit
herderlijk schrijven wordt op 26 juli in alle katholieke kerken
voorgelezen. Het telegram had tot gevolg dat de Duitsers de toezegging
deden, dat de christenjoden niet weggevoerd zouden worden, voor zover
zij vóór januari 1941 tot één der christelijke kerken behoorden. Het
voorlezen van het herderlijk schrijven had tot gevolg dat de bezettende
macht de katholieke joden zou wegvoeren als eerste en wel zo spoedig
mogelijk.
Op zondag 2 augustus 1942 werden over heel Nederland de katholieke joden
gevangen genomen, zo ook Edith Stein en haar zus Rosa. Edith Stein weet
wat haar te wachten staat en haar laatste woorden, welke opgeschreven
zijn, waren gericht aan haar zus: "Kom, laat ons gaan voor ons volk".
Via Roermond gaat de weg naar Amersfoort en verder via Hooghalen naar
Westerbork. Vroeg in de morgen van de 7de augustus gaat de stoet te voet
van Westerbork naar Hooghalen en vandaar per trein verder. Zondag 9
augustus kwam het transport in Auschwitz aan. Allen werden meteen
vergast; volgens lijst 34 van het ministerie van justitie ook nummer
44074, Edith Teresia Hedwig Stein en nummer 44075, Rosa Maria Agnes
Adelheid Stein.
2 1/2 miljoen mensen zullen in Auschwitz hetzelfde lot ondergaan en 1/2
miljoen sterft aan honger en ontbering. In haar voornaamste werk "Endliches
und ewiges Sein" schrijft Edith Stein: "Wat niet in mijn plan
lag, heeft in het plan van God gelegen. En hoe vaker mij zoiets
overkomt, des te levendiger wordt mijn overtuiging, dat er van God uit
gezien geen toeval bestaat, maar dat heel mijn leven tot in alle
bijzonderheden in het plan van de goddelijke Voorzienigheid is
uitgestippeld en dat het voor Gods alziend oog een zinvol samenhangend
geheel is. Dan begin ik mij te verheugen op het licht der glorie, waarin
deze zinvolle samenhang ook voor mij ontsluierd moet worden."
Auteur:
Dr. Ilse Kerremans, OCDS |