|
|
|
|
Thérèse is het vijfde dochtertje van de familie Martin. Voor haar zijn er Marie, Pauline, Léonie en Céline. Ze wordt geboren te Alençon op 2 januari 1873. Als kind heeft Thérèse niet altijd een gemakkelijk karakter. Als jongste wordt ze nogal verwend door haar zussen en is ze gewend haar zin door te drijven. |
|
|
Wanneer Thérèse nog maar vijf jaar is, sterft haar mama. Van dan af beschouwt Thérèse haar tweede zus Pauline als haar tweede moeder. Kort daarna, in november 1877, besluit meneer Martin van Alençon naar Lisieux te verhuizen naar een groot huis dat ze 'les buissonets' noemen. Op deze manier komen ze wat dichter bij hun oom en tante wonen, die een apotheek hebben in Lisieux. |
|
|
|
|
Op een dag beslist Pauline om in te treden in de Karmel van Lisieux.
Thérèse wordt ziek van verdriet. Ze ziet echter het beeld van Onze Lieve
Vrouw, dat naast haar bed staat, op een dag 'glimlachen' en geneest
prompt.
|
|
|
|
|
|
De jaren gaan voorbij. Ze mag mee helpen de novicen te begeleiden en leert hen om voor God te staan zoals liefdevolle kinderen voor een tedere vader. Maar Thérèse wordt ziek en sneller moe. Moeder Agnes, eigenlijk haar zus Pauline, vraagt haar om eens iets op te schrijven van haar leven. Wat ze opschrijft zal later het internationaal verspreide boek 'geschiedenis van een ziel' worden. Ondertussen onderhoudt Thérèse ook een correspondentie met twee missionarissen die ze steunt en bemoedigt. Ze bidt ook voor hen. In juli 1897 moet Thérèse ondergebracht worden in de ziekenkamer. Ze weet dat ze gaat sterven, maar zegt: "Ik sterf niet, ik ga het ware leven binnen". Op 30 september wordt haar toestand erger. Ze staart naar het kruisbeeld en roept uit: "Oh, ik hou van U, mijn God, wat hou ik van U". Dat worden haar laatste woorden. |
|
|
Copyright ©
Vlaamse Karmel |