Levensloop van de Heilige Thérèse van Lisieux
   

   
 

 

Thérèse is het vijfde dochtertje van de familie Martin. Voor haar zijn er Marie, Pauline, Léonie en Céline. Ze wordt geboren te Alençon op 2 januari 1873. Als kind heeft Thérèse niet altijd een gemakkelijk karakter. Als jongste wordt ze nogal verwend door haar zussen en is ze gewend haar zin door te drijven.

 

Wanneer Thérèse nog maar vijf jaar is, sterft haar mama. Van dan af beschouwt Thérèse haar tweede zus Pauline als haar tweede moeder. Kort daarna, in november 1877, besluit meneer Martin van Alençon naar Lisieux te verhuizen naar een groot huis dat ze 'les buissonets' noemen. Op deze manier komen ze wat dichter bij hun oom en tante wonen, die een apotheek hebben in Lisieux.

 

 

Op een dag beslist Pauline om in te treden in de Karmel van Lisieux. Thérèse wordt ziek van verdriet. Ze ziet echter het beeld van Onze Lieve Vrouw, dat naast haar bed staat, op een dag 'glimlachen' en geneest prompt.

Wanneer ze elf is mag ze haar eerste communie doen. Ze bereidt er zich met veel zorg op voor en noemt het 'de eerste kus van Jezus aan mijn ziel'.
Na Pauline treedt ook de oudste zus Marie in bij de Karmel. Ook Thérèse wil graag religieuze worden, maar ze is nog maar vijftien. Haar vader geeft zijn toestemming, maar voor de Karmel is ze te jong om in te treden. De bisschop raadt haar aan op bedevaart naar Rome te gaan en de zaak eens voor te leggen aan de paus. Tijdens de reis houdt de vicaris Thérèse goed in het oog. De paus helpt haar niet om in te treden. Hij zegt alleen dat ze zal intreden 'als God het wil'. Maar de vicaris is overtuigd van haar oprechte bedoelingen en zorgt ervoor dat haar intrede toch aanvaard wordt door de bisschop. Thérèse mag intreden. In april 1888 gaat de deur van het klooster voor Thérèse open. Ze is intens gelukkig. Nu heeft ze haar droom eindelijk waar gemaakt.

Om te voorkomen dat ze het troetelkindje van de zusters zou worden, is de priorin extra streng tegen haar. Ook oudere zusters maken het haar moeilijk met harde opmerkingen. Maar Thérèse verdraagt alles rustig. Op 10 januari wordt ze ingekleed en krijgt ze dus het habijt van de karmelietes. Meneer Martin is ernstig ziek, maar is toch aanwezig. Voortaan zal men haar zuster Thérèse van het kind Jezus noemen. Twee jaar later, op 8 september 1890, spreekt Thérèse haar definitieve geloften uit en engageert ze zich om de rest van haar leven aan Jezus te wijden. Haar witte kap wordt vervangen door een zwarte. Net zoals haar zusters Paulien en Marie kan Thérèse ook schilderen. Ze schrijft ook gedichten en theaterstukjes die ze voor de zusters speelt.

   
 

 

De jaren gaan voorbij. Ze mag mee helpen de novicen te begeleiden en leert hen om voor God te staan zoals liefdevolle kinderen voor een tedere vader. Maar Thérèse wordt ziek en sneller moe. Moeder Agnes, eigenlijk haar zus Pauline, vraagt haar om eens iets op te schrijven van haar leven. Wat ze opschrijft zal later het internationaal verspreide boek 'geschiedenis van een ziel' worden. Ondertussen onderhoudt Thérèse ook een correspondentie met twee missionarissen die ze steunt en bemoedigt. Ze bidt ook voor hen. In juli 1897 moet Thérèse ondergebracht worden in de ziekenkamer. Ze weet dat ze gaat sterven, maar zegt: "Ik sterf niet, ik ga het ware leven binnen". Op 30 september wordt haar toestand erger. Ze staart naar het kruisbeeld en roept uit: "Oh, ik hou van U, mijn God, wat hou ik van U". Dat worden haar laatste woorden.

   
 

Copyright ©  Vlaamse Karmel
Burgstraat 46
9000 Gent
Tel: 032 (0)9/225 57 87