Inhoud:
1) Het Spanje van Johannes van het Kruis                  
2) Levensschets van Johannes van het Kruis             
3) Mystiek van Johannes van het Kruis                         
 

   

HET SPANJE VAN JOHANNES VAN HET KRUIS
 

   

    Wie de geschriften van Sint Jan van het Kruis leest, zal wel niet zo vlug als bij andere mystieke schrijvers de behoefte voelen om, tot beter begrip ervan, de historische context waarin ze verschenen zijn te leren kennen. Zijn leer lijkt zo ontheven aan alle wisselvalligheden, zo tijdeloos : louter een beschrijving van de groei der liefde, door Gods genadevolle invloed gestuwd naar haar volheid. We blijven geboeid die geestelijke opgang volgen, ook zonder enige kennismaking van de concrete omstandigheden van het leven van de schrijver zelf.

En toch voegt het aanbod van Gods liefde zich naar alle levensomstandigheden en eigenheden van de begenadigde, zodat het menselijk antwoord, ook dat van Sint-Jan van het Kruis, daardoor getekend is tot in al zijn uitingen, tot in zijn geschriften toe. Hoezeer een heilige ook alleen maar van God en van de omgang met Hem wil getuigen, hij doet het toch met een eigen stem. „Als je met deze Spaanse mystici kennis wil maken, in hun werk, in hun streek, moet je als mens van de 20ste eeuw een enorme kloof overbruggen. Geweldig moeilijk vind ik. Maar je ontmoet een ongelooflijke kracht :mensen die een getormenteerd leven hebben geleid en die, men vergeet het wel eens, ook op het praktische vlak hebben gewerkt. Ze werden verteerd door een rijk innerlijk leven waaruit ze een onvoorstelbare energie putten". Daarom, om iets aan die kloof te doen, zal het toch goed zijn een vlugge blik te werpen op de sociale, culturele en religieuze achtergrond van het leven en het werk van de Spaanse kerkleraar.

De korte, rechte weg

Geboren in Fontiveros, op het Castiliaanse hoogland, kernland van Spanje, groeide Sint Jan van het Kruis (1542-1591) op tussen een volk waar „een mystiek idealisme” vaak gepaard ging „met een nuchter realisme, een combinatie die we steeds weer in het Spaanse karakter terugvinden"2. Miguel de Cervantes, een ander Castiliaan heeft die twee karaktertrekken van zijn volk tot in het karikaturale doorgetrokken in de twee helden van zijn meesterwerk: Don Quijote, „de dolende ridder”, de idealistische landjonker die al het verkeerde in de wereld gaat goedmaken maar geen oog heeft voor de onmiddellijke realiteit: steeds weer geslagen door het leven kan hij toch gedurig met een glimlach herbeginnen, onverzettelijk. Terwijl zijn schildknaap en tegenspeler Sancho Panza, de boerenjongen met zijn nuchtere en praktische levenskijk, de realist vertegenwoordigt, die in al zijn egoïsme toch trouw blijft aan zijn heer.

Men heeft gezegd dat Teresia van Avila, „Gods dolende edelvrouwe”, op een ongeëvenaarde wijze beide karaktertrekken in zich verenigde, maar dan zonder het wereldvreemde van de ene en het egoïsme van de andere. Zij was waarlijk een compleet mens ! Bij Sint Jan zal de klemtoon, zeker niet exclusief, maar toch wat zwaarder vallen op de mystieke drang naar het Absolute.

Was hij niet de zoon van een hidalgo, Gonsalvo de Yepes, die zich liet verstoten door zijn familie en de armoe verkoos, om een arm meisje te huwen, puur uit liefde ? Boven de rustige positie van een aalmoezenier in een hospitaal gaf ook Juan de Yepes de voorkeur aan iets dat minder voor de hand lag en trad hij in bij de Karmelieten van Medina del Campo, puur uit liefde voor de Heer. Maar meer aangetrokken door het hoge Ordesideaal dan verlokt door het lauwe leven dat er mogelijk was, stond hij spoedig apart met zijn voorrecht om de Regel te volgen in zijn oorspronkelijke strengheid. Ook dat bevredigde hem niet. Teresia van Avila moest op zijn weg komen om hem van zijn kartuizerdroom af te brengen en mee te betrekken in haar poging om de oude Orde van O.-L.-Vrouw in haar oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Heel zijn leven door is hij aan die visie trouw gebleven, in milde onbuigzaamheid. Zonder af te wijken in de richting van het activisme of van het kille observantisme : in een gemeenschap die nog haar weg zocht, koos hij voor de korte, steile, rechtlijnige weg naar de top van de mystieke Karmel.

Een hard land...

In die onverzettelijkheid en vurige beslistheid toont Juan zich een Castiliaan van het zuiverste ras. Het karakter van dat volk was in de loop der eeuwen getekend en gehard door het ruwe hoogland, doorsneden door bergketens, in het midden van Spanje : een tamelijk dor gebied, oker-grijs, met weinig groen en weinig neerslag. Vandaar het belang van de irrigatie der velden, o.a. met de noria, waar Teresia van spreekt.
Ook het klimaat is dat van een hoogland, alhoewel de spreuk die het typeren wil: „9 maanden winter en 3 maanden hel”, toch wel overdrijft. Noord-Castilië, de streek van Avila en Fontiveros, het is een hard land, met weidse ruimten en grootse vergezichten, een land dat de besten van die tijd vormde tot grootse dingen. Een land van „cantos y santos, rotsblokken en heiligen”.

... van veroveraars

Die roep tot grote daden hadden ze ook meegekregen van hun geschiedenis, van de 800-jarenlange „ reconquista ", herovering van hun land op de Moren. Die werd in 1492 door de „katholieke koningen” Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië beëindigd met de verovering van het laatste Moorse bolwerk in Spanje, Granada.

Wanneer in hetzelfde jaar 1492 Colombus, in Spaanse dienst, een nieuwe wereld ontdekt, later Amerika genoemd, speelde de geloofsijver van die eeuwenlange kruistocht nog altijd mee in de geweldige uitbarsting van energie die Spanje nu opjoeg naar de „conquista”, de verovering van die nieuwe gewesten. Drijfveer was natuurlijk ook de zucht naar het goud en zilver van het land der Azteken en Inka's. Vertrokken er sommigen, zoals Teresia van Avila dat onderstelde bij haar broers, met de mentaliteit van kruisvaarders, anderen zoals de schaapherders en de berooide landadel van de Estremadura, droegen niet langer hun hooghartige armoe. Als een vlucht giervalken uit de krengen van hun nest vertrokken ze uit Palos en Moguer, kapiteins en soldaten, vervoerd door hun droom, heroïsch en brutaal.

Geloofsijver, strijdbare trouw aan Spanje's koning en dorst naar rijkdom bleven meestal onontwarbaar in de harten der conquistadores vervlochten, zoals Barnal Diaz dat ,,in een beroemde zin samenvatte : om God te dienen en zijne majesteit (= de koning), om licht te brengen aan hen die in de duisternis verkeerden én om rijk te worden, wat alle mensen graag willen".

Spanje, voorvechter van de Kerk

Vanaf het begin der 16de eeuw vervoerden de karvelen en later de grotere galjoenen het goud van Mexico en Peru en het zilver van Potosi, alsook de koloniale waren van de plantages jaar in jaar uit naar Spanje. Deze enorme inkomsten lieten de koningen toe de talrijke legers uit te rusten die het land gedurende anderhalve eeuw het overwicht in Europa bezorgden.

Maar eerst had de oude koning Ferdinand van Aragon het land met zijn drie godsdiensten en culturen moeten één maken. De Moren die gebleven waren en de nogal talrijke Joden werden verplicht zich te bekeren ofwel het land te verlaten. Hoezeer het heengaan van zovele Joodse handelaars en Moorse ambachtslieden voor Spanje een aderlating betekende, men had er dat voor over. Om de rechtgelovigheid van de bekeerlingen na te gaan richtte Ferdinand de Inquisitie op, een politiek-religieuze instelling die de zuiverheid van het geloof moest waarborgen. Hij brak ook de macht van de adel, perkte die van de standenvertegenwoordiging (de Cortes) in en breidelde de vrijheden der steden. Zo bouwde hij een eenheidsstaat op, op basis van ras en religie.

Van dat Spanje werd de Habsburger Karel, prins van de Nederlanden, in 1516 koning Carlos I, terwijl hij in 1519 tot Duits keizer gekroond werd als Karel V. Alhoewel hij voor zijn talrijke oorlogen om de Habsburgse hegemonie te vestigen, beroep kon doen in Spanje op de goedgevulde schatkist, op de militaire tradities van de adel en op de beste infanterie van Europa is hij uiteindelijk toch niet geslaagd in zijn opzet, wegens het samensluiten van Frankrijk met de erfvijand van Europa, de Turken en met de Duitse protestanten.

Zijn zoon Filips II die hem in 1556 in het Spaanse rijk opvolgde leek daar aanvankelijk wel in te slagen. Zijn legers dwongen Frankrijk tot de vrede, o.a. door de veldslag bij St-Quentin op Sint-Laurentiusdag 10 augustus 1557, terwijl de Spaanse vloot, samen met die van Venetië en Rome, de Turken vernietigend versloeg bij Lepanto in 1571. In de nabijheid van Madrid, zijn hoofdstad, liet Filips zich een gigantisch paleis bouwen, op een roostervormig grondplan ter ere van Sint-Laurentius. Dat Escorial omvatte kerk, klooster en koninklijke residentie: belichaming van zijn ideaal van eenheid van Kerk en Staat. Van daaruit bestuurde hij als een absoluut monarch zijn rijk dat hij wou uitbouwen tot een katholiek bastion in Europa, in dienst van de Kerk. „Mijn zoon, bewaar in uw gewesten het katholiek geloof in al zijn zuiverheid”, had zijn vader keizer Karel hem in Brussel bij de machtsoverdracht gevraagd. Aan zijn jawoord heeft Filips heel zijn leven door hardnekkig trouw willen blijven. „Ik zou honderd maal mijn leven en heel mijn rijk willen geven liever dan ketters als onderdanen te hebben”.

Zijn legers streden voor God, de Kerk, de koning én de soldij, te zee en te land, op vier fronten tegelijk: tegen de opstandige Nederlanden, tegen Engeland dat Anglicaans geworden was, in Frankrijk waar Filips wilde tussenkomen in de godsdienstoorlogen en tegen de Turken die een gevaar bleven. Tevens moesten ze Zuid-Amerika bezetten. Spanje is blijven standhouden in weerwil van vele tegenslagen. Heel de 16de eeuw door bleef het de hegemonie in Europa bewaren. Toch is Filips gestorven zonder de belofte aan zijn vader te hebben kunnen houden, terwijl zijn land economisch geruïneerd was.

Verarmd in de strijd

De edele metalen uit Amerika werden veel te weinig gebruikt om te investeren in productiemiddelen. Spanje had altijd wol en olie uitgevoerd en industriegoederen ingevoerd. Het bleef ook nu de nijverheid verwaarlozen. Het goud en zilver van overzee had aanvankelijk wel welvaart gebracht maar werd te veel aangewend om kerken en paleizen te bouwen en de lange oorlogen te bekostigen. Ofwel werd het, samen met de producten der plantages, op de jaarmarkten verhandeld aan vreemdelingen, aan mensen uit het Noorden die er zelf verderop winst mee maakten. Men kon bijna zeggen dat het Amerikaanse goud voor een deel verdween in een tamelijk bodemloze koninklijke schatkist en voor de rest overging in de handen van vreemde kooplui.

Spanje had boven zijn stand geleefd om zijn internationale rol te kunnen spelen. In plaats van uit te groeien, zoals zijn rivalen Frankrijk, Engeland en Noord-Nederland, tot een industriële en handeldrijvende natie, had het teveel van zijn krachten gevergd en was het tegen het einde van de 16de eeuw economisch uitgeput.

Standsbesef en eergevoel

Groot was op sociaal gebied de tegenstelling tussen de rijkdom van enkelen en de armoe van de meesten. De „grandes”, de hoogste adel en ook de „caballeros", de afstammelingen van de ridderorden bevonden zich aan het hof of waren de hogere legeraanvoerders. Terwijl de „hidalgos", de lagere adel (negentig procent van de adelstand) op het land verbleven of als lagere officieren in het leger. Al die edellieden leefden van de opbrengst van hun grondbezit dat in waarde gedaald was. Want wegens het goud uit Amerika waren de prijzen gestegen, terwijl de grondrente ongewijzigd bleef. Ze genoten echter veel voorrechten zoals o.a. vrijstelling van belastingen.

De hogere geestelijkheid was even rijk en machtig en geprivilegieerd als de adel. Ze waren ingeschakeld in de Staatskerk die sterk afhing van het koninklijke hof. De nadelige invloed hiervan werd minder gemerkt, omdat Karel I en Filips II hun wereldmacht feitelijk in dienst stelden van de alom bedreigde Kerk.

De burgerij had het aanvankelijk goed, maar die bloei bleef niet duren. Niet alleen omdat de meeste kooplui bekeerde Joden waren en veel tegenwerking ondervonden van de achterdochtige inquisitie. Maar vooral omdat in Spanje, na zeven eeuwen reconquista de geest van de kruistochten was blijven leven: Spanje voelde meer voor het leger dan voor de materiële vooruitgang.

De lagere standen werden dan ook verwaarloosd. De boeren vervielen tot armoe. Zo ook de ambachtslieden: hun loon volgde slechts op verre afstand de stijgende levensduurte, waar reeds sprake van was. Om te zien hoe zorgelijk ze het hadden, hoeven we maar over de jeugdjaren te lezen van Juan de Yepes.

Het standsbewustzijn en het erbij horende eergevoel had ongewone proporties aangenomen. De strijd tegen de Turken en protestanten, alsook de verovering van Amerika „deden in de oude, krijgshaftige bovenlaag de met ieder militarisme verbonden trots steeds weliger gedijen". Spanje was, met wat overdrijving gezegd, een volk geworden van „hidalgo's, priesters en bedelaars”, maar allen nogal hooghartig, tot in de armoe. „Handenarbeid van welke aard ook gold, evenals bij de middeleeuwse ridder, bij elke edelman als oneervol, en niet alleen bij hem, maar feitelijk bij alle Spanjaarden van zuiver bloed, die enkel met de degen hun koning wilden dienen en verder niemand : zó groot was de ras- en krijgsmanstrots van dit volk".

Toen de hertog van Alva in 1557 zegevierend Rome binnentrok, omdat paus Pius IV zich bij Spanje's vijanden had aangesloten, betuigde hij de paus, op bevel van koning Filips, zijn gelovige onderwerping met de gebruikelijke voetkus en vroeg hem vergiffenis omdat hij zich gedwongen had gezien zijne Heiligheid te overwinnen. Daarmee was zowel aan zijn geloof als aan de Spaanse trots voldaan.

De Gouden Eeuw

Vanuit hun Italiaanse bezittingen drongen de invloeden van de renaissance en later van de barok in Spanje binnen. Maar de natie was te zeer vervuld van dadendrang en christelijk geloof om niet alles creatief te verwerken. Nog lange tijd bleef Spanje zijn ridder- en herderromans trouw. Tot de ,,Don Quijote” van Cervantes het einde inluidde van die illusoire literatuur. Op het eerste zicht een satirische beschrijving van die afgezaagde verhalen, is het eerder om zijn rijk levensinzicht een van de meesterwerken van de wereldliteratuur.

De cultus van het heroïsme en verlangen naar grootse daden bleef echter onverzadelijk. Toen de realiteit daar steeds minder aan kon voldoen, werden de helden met hun strijd tussen zonde en deugd, schuld en boete of met het conflict tussen trouw aan de heer of het strenge begrip van de eer, door de dichters op het toneel gebracht. Spanje bereikte in de tijd van de barok in het drama de hoogste toppen, met Lope de Vega (1562-1635), schepper van de Spaanse „comedia ". Maar daarmee zijn we reeds in de 17de eeuw. Zeker met de andere groten, Tirso de Molina, Alarcon en Calderon de la Barca.

Grote namen in de lyrische poëzie van de 16de eeuw zijn Boscán en de grootste van allen Garcilaso de la Vega. Sint Jan van het Kruis heeft met hun zangen over de verzuchtingen en vreugden van de verliefden kennis gemaakt tijdens zijn studies in Salamanca. Het gedicht „De levende Vlam van Liefde” heeft zoals hijzelf bekent naar de vorm gelijkenis met de poëzie van Boscán, maar de inhoud heeft ,,betrekking op God".

Terwijl Sint Jan, in de kloostergevangenis in Toledo opgesloten, zijn „Geestelijk Hooglied” dichtte, was El Greco (1541-1614) in dezelfde stad zijn figuren aan het schilderen die onder een onaardse belichting als vlammen de hoogte in stegen: hij was een vreemdeling maar zo met Spanje vergroeid dat niemand hem evenaarde in de ernst en het vuur waarmee hij zijn religieuze voorstellingen uitbeeldde. Doch de hoogste realisaties van de Spaanse schilderkunst, naast die van El Greco, vinden we eveneens in de 17de eeuw, met Ribera, Velázquez, Zurbaran en Murillo.

Spanje dat zich geroepen had gevoeld om ook op cultureel gebied de leiding te nemen, beleefde zijn Gouden Eeuw vanaf de eerste helft van de 16de eeuw, maar vooral in de 17de, toen zijn politieke roem al aan het tanen was. De zonen konden de glorie van hun vaders niet vergeten en, gestuwd en geïnspireerd door het enthousiasme dat in de harten was blijven leven, herbeleefden ze die glorie op het theater en in artistieke scheppingen.

Op zoek naar verinnerlijking

In geen domein is de Spaanse 16de eeuw creatiever geweest dan in het religieuze. Dank zij vooral zijn heiligen, hun geschriften en hun stichtingen is de 16de waarlijk een Gouden Eeuw geweest.

Vanaf de jaren 1500 greep een sterke drang naar verinnerlijking de geesten aan, een verzet tegen alle formalisme, een zoeken naar het ware gebed. De „Navolging van Christus”, werken van Augustinus, van Harphius en vele anderen werden vertaald. Allerlei stromingen van spiritualiteit doorkruisten Spanje, ook de mystiek van het Rijnland en Brabant. Vooral Erasmus (1469-1536) vond bijval. Niet de erudiet met zijn uitvallen tegen de Kerk, maar de christelijke humanist, heraut van de synthese tussen christendom en cultuur. Alle progressieven, vooral intellectuelen, beriepen zich in de jaren '20 op hem in hun ijveren voor een meer innerlijke religiositeit. Het erasmianisme werkte als een zuurdeeg in die toenmalige vernieuwingsdrang.

In tijden van geestelijke gisting liggen waar en vals gewoonlijk dicht bij elkaar, vooral bij minder gevormde priesters, leken en religieuzen. Vanaf 1520 voerde die drang naar verinnerlijking tot allerlei afwijkingen die men gewoonlijk ten onrechte onder de noemer alumbrados, verlichten, verenigen wil. Ze hadden geen vast omschreven leer, behalve dat ze allen nogal afwijzend stonden tegenover uiterlijke religieuze praktijken, biecht, mondgebed en de gewone meditatie. Sommigen wilden bij het ingekeerde bidden alle denken uitschakelen, ook het denken aan Jezus' mensheid, om een innerlijke leegte te scheppen en zo te belanden in de contemplatie. Anderen legden de klemtoon op de pure overgave die de mens toelaat zó op te gaan in God dat hij niet meer kan zondigen. Velen kwamen niet tot zulk een illuminisme of quiëtisme, maar vervielen toch tot een geëxalteerde vroomheid met verlangens naar visioenen en openbaringen. De beweging die soms ook protestantiserend was, bleef in Castilië evenwel gezonder dan in het Zuiden, waar ook Moorse invloeden meespeelden.

Ingrijpen van hogerhand

De Spaanse inquisitie is er vlug tussenbeide gekomen. In die tijden was het een instrument geworden van politieke en religieuze overheersing: een vijand van het ware geloof was vijand van de koning. Niemand vermocht iets tegen deze almachtige instelling, die meestal nogal vlug de mensen verdacht van geloofsafwijkingen. Groot was haar wantrouwen tegen geestelijke geschriften in de volkstaal en tegen geschriften over inwendig gebed. Meerdere geloofsgetrouwe schrijvers moesten het ondervinden, ook Teresia van Jezus. De werken van Joannes van het Kruis konden eerst een hele tijd na zijn dood uitgegeven worden.

Maar die inquisitie heeft Spanje praktisch volledig gevrijwaard van het protestantisme en de vele honderden die in Spanje verbrand werden, zijn een miniem getal in vergelijking met de slachtoffers van de godsdienstoorlogen in Duitsland en Frankrijk en van de tribunalen van Hendrik VIII en Elisabeth in Engeland. En zeker in vergelijking met de tallozen die in de 17de eeuw in de katholieke en protestantse landen, hier in het Noorden, verbrand werden ten gevolge van de heksenwaan, waar Spanje nagenoeg vrij van gebleven is.

Behalve in Spanje heerste overal in Europa godsdienstige verdeeldheid en het was hoog tijd dat de Kerk gereed kwam met haar hervorming. Ten gevolge van de oorlogen van keizer Karel en Frankrijk kon het Concilie van Trente eerst in 1545 beginnen en heeft het met lange onderbrekingen tot 1563 geduurd. Het kon de breuk in de christenheid niet meer herstellen, maar werd toch het vertrekpunt van een ingrijpende vernieuwing in de katholieke Kerk.

De hervormingsbewegingen die overal reeds lang aan de gang waren, kregen een nieuwe sterke impuls. In menig klooster waaide weer de oorspronkelijke geest als een vernieuwende kracht en werd de oude vlam opnieuw aangewakkerd. Filips II, die de decreten van het concilie dadelijk deed uitvoeren in zijn landen en elke hervorming begunstigde, werd de „beschermer” van de Hervormde Karmel, zoals hij genoemd werd door Teresia : de ondernemende reformadora wist ook de ellendige situatie van de gevangen Joannes van het Kruis in de koninklijke raad te brengen.

De eigenlijke hervormers

Het waren vooral de heiligen — een hele reeks — die van de post-conciliaire tijd een Gouden Eeuw hebben gemaakt. Zij waren de voortrekkers in die immense beweging van geestdrift en vurigheid die de christenheid van toen heeft opgejaagd, vooral in Spanje en Italië. Het waren niet alleen mystiek-begenadigde maar ook geëngageerde mensen : schrijvers van mystieke werken, grote volkspredikanten of stichters en hervormers van kloosterorden, waar hun geest bleef voortleven.

Nog in de eerste helft van de 16de eeuw zetten de franciscanen F. de Osuna in zijn „TercerAbecedario" (1527) en B. de Laredo in zijn „Subida del Monte Sion” (1533) de leer van het ingekeerde bidden en van de opgang naar de vereniging met God uiteen. Onvermoeibare predikanten als Juan de Avila, seculier priester (1569), de heilige Thomas van Villanova, augustijn en aartsbisschop (1555), Luis de Granada, O.P. (1588), alsook „het wonder van de boete”, de heilige Petrus van Alcantara, O.F.M. (1562), en de stichter van mystieke poëzie Luis de León, augustijn (1591), allen schreven ze werken van spiritualiteit, over gebed en ascese. Terwijl de heilige Joannes de Deo (1550), een apostel van de naastenliefde, te Granada een congregatie stichtte voor ziekenzorg.

Groot was vooral de invloed van de heilige Ignatius van Loyola (t 1556), schrijver van de „Geestelijke Oefeningen”, een meditatieboek dat apostels vormt, en stichter van de jezuïeten, die overal in Europa een grote rol speelden in de vernieuwing van de Kerk en die in Spanje mensen voortbrachten als de heilige Franciscus Xaverius (1552), patroon van de missies, en de heilige Franciscus de Borgia (1552), de derde ordesgeneraal. En „onovertroffen als mystieke schrijvers" waren de heiligen Teresia van Jezus (1582) en Joannes van het Kruis (1591), resp. de hervormster en de geestelijke bezieler van de Hervormde Karmel. Alleen een uitgebreid en geïnteresseerd lezerspubliek kon deze explosie van geestelijke lectuur verklaren : nooit is de spiritualiteit zo algemeen verbreid en gepraktiseerd geweest als in het Spanje van die dagen.

Wat kreeg hij van anderen?

Als Teresia haar eerste karmeliet van de kartuizers kon weerhouden, dan zal bij hem, de Lievevrouwebroeder, zijn liefde tot Maria wel meegespeeld hebben. Maar wegens het alom heersende klimaat van terugkeer naar de bronnen moet hij ook verlokt geweest zijn door de gedachte aan een herstel van de aloude levenswijze van zijn orde, waarover hij gelezen had in het ,,Boek der eerste Monniken". Heel zijn leven heeft hij gewijd aan het bestijgen van de Berg Karmel. Zelf heeft hij de toppen ervan bereikt en feitelijk alleen daarover geschreven.

In zijn geschriften vindt men wel bepaalde thema's en beelden uit de werken van Ruusbroec en Harphius, van Tauler en Eckhart. Hij heeft die niet rechtstreeks, doch langs Osuna, Laredo en Juan de Avila leren kennen. En natuurlijk had hij reeds tijdens zijn opleidingsjaren kennis kunnen maken met de Pseudo-Dionysius, Bonaventura, Catharina van Genua e.a. Praktisch geen van hen heeft hij geciteerd : hij had bij hen alleen maar herkenning en bevestiging gevonden van zijn eigen ervaring. En die heeft hij willen uitschrijven. Joannes had een creatieve geest en schiep vanuit zijn eigen innerlijke wereld. De traditionele beelden van de mystiek: vuur en licht, wolk en nacht, berg en bron, die bij anderen vaak schetsmatig bleven, heeft hij verdiept en er een nieuwe waarde aan gegeven: hij heeft daarmee vorm willen geven aan wat eigenlijk geen vorm heeft : het ondergaan van Gods inwerking in de ziel en de geheime omvorming van de hele mens door Gods Geest.

Bij de neerslag van die ervaring kwamen hem als vanzelf teksten van de Heilige Schrift voor de geest — vaak eerder als illustratie dan als argument — en ook wat hij opgedaan had uit zijn vroegere lectuur, maar hij verwerkte het allemaal in een heel eigen persoonlijke synthese. „De studie van de antecedenten van een werk dat bovenmenselijk groot lijkt helpt dat werk begrijpen en het situeren in de geschiedenis, maar verhindert ons niet het te bewonderen".

Wat deelde hij mee?...

Zoals bij alle grote geestelijke schrijvers van zijn tijd was het de bedoeling van Sint Jan het geloofsleven der mensen te verinnerlijken en te tonen hoe het tot zijn voleinding komt. Geen van allen heeft het origineler en completer gedaan. Zijn soliede wijsgerige en theologische vorming liet hem toe heel zijn visie te ontwikkelen volgens een vast plan vanuit de principes van de spiritualiteit. Die rechtlijnigheid en daarbij zijn zin voor absolute uitspraken had hij niet alleen van zijn Castiliaanse afkomst, maar dankte hij vooral aan het diep doorleefde inzicht in de eisen van de liefde, maar ook aan zijn wijsgerige opleiding.

Hij gaat in zijn werk steeds rechtdoor, zonder uitweidingen, zelfs niet over Jezus' leven, over Maria, de Kerk, de eucharistie. Alleen de wezenlijke voorwaarden en stadia van de mystieke opgang naar de vereniging, zoals die kan voorkomen in alle levensstaten. Welke ook onze studies, onze „berg” mag zijn, de beste manier om de top te bereiken is de steile rechte weg te kiezen. Daarover heeft hij het.

In zijn werk dan ook geen polemieken, geen strijdvragen. Wel ernstige waarschuwingen. Rustig verduidelijkt hij de mensen die door de alumbrados mochten geraakt zijn, hoe in de nacht van het geloof een duister licht ons leidt en ver houdt van de gemakkelijke weg van een overgave zonder zelfverzaking, van de hang naar visioenen en openbaringen of van een overdreven cultus voor barokversierde kruisen, beelden en gebedsplaatsen. Slechts eenmaal vaart hij uit, en dan heel heftig, tegen autoritaire of overbezorgde geestelijke leiders die, uit vrees voor quiëtisme of wegens onbekendheid met de wegen van het gebed, de gewetens folterden en vervielen tot een nog groter dwaling dan het quiëtisme, de vrees nl. voor elk mystiek gebed.

... ook aan ons

Sint Jan van het Kruis schrijft met grote geestelijke bezorgdheid, om gelijkgezinden te leiden naar wat „leven” van zijn leven geworden is. Het verlangen bezielt hem om de liefde die God in hem tot bloei heeft gebracht in anderen te doen herleven, zodat Gods Geest ook hen kan voeren tot een goddelijke wijze van kennen, van beminnen en handelen. Dat is een innerlijke geschiedenis die zich de eeuwen door kan herhalen in elk mens die zich leent aan Gods Geest, een ervaring die dan ook wezenlijk los staat van alle wisselvalligheden van tijd en plaats: het is altijd dezelfde Geest die de mens in zijn greep krijgt. Daarom is het dat het werk van de kerkleraar van de mystiek, hoezeer ook beïnvloed door anderen, zo tijdloos lijkt, zo vrij van alle tijd- en cultuurgebondenheid.

Auteur: Pancraas Martens, ocd

   
 

LEVENSSCHETS VAN JOHANNES VAN HET KRUIS
 

 

  1542
   
Juan wordt geboren in een arme familie, te Fontiveros. Twee jongens waren hem reeds voorafgegaan : Francisco en Luis. Hun moeder, Toledaanse van afkomst en zonder vermogen, noemt Catalina Alvarez. Hun vader, Gonzalo de Yepes, is een man uit de adellijke kringen. Gonzalo heeft maling aan het standsverschil tussen hen beiden en huwt Catalina. Zijn rijke familie beschouwt dit als een schande. Alle banden met Gonzalo worden verbroken. Hij wordt op straat gezet. Naar aloude gewoonte moest Juan gedoopt worden op de dag zelf van zijn geboorte. Bovendien kreeg het kind de naam van de heilige die op die bewuste dag werd gevierd. Waarschijnlijk werd Juan geboren op 24 juni, feest van Joannes de Doper.
 
  1545-1551. Een tragedie die lang zal duren
   
1544 Gonzalo de Yepes sterft, uitgeput door een lange en pijnlijke ziekte, die tegelijk het beetje spaargeld verteerde. Juan is dan twee jaar. Catalina probeert, door het verkopen van stoffen, in hun levensonderhoud te voorzien. Maar de ellende haalt de strop steeds strakker aan rond moeder en kinderen ! De arme weduwe besluit hulp te zoeken bij de familie van Gonzalo. Echter tevergeefs ! Onverrichterzake keren ze naar Fontiveros terug. De kleine Luis sterft, misschien wel aan de gevolgen van ondervoeding. Ondertussen verhuist het arme gezin naar Arévalo.
 
  1551-1564. Eerste studies
   
1551-1559 Opnieuw ziet de weduwe zich genoodzaakt om te verhuizen, op zoek naar bestaansmiddelen voor haar en haar zoontjes. Dit keer gaat de reis van Arévalo naar Medina del Campo. In Medina is een school. Het Colegio de la Doctrina: een school voor arme kinderen. Als arm kind en halve wees wordt Juan de Yepes er opgenomen. Hij wordt er gevoed, krijgt er enige lessen en moet een vak leren. Juan probeert achtereenvolgens het beroep van timmerman, kleermaker, graveur en schilder. Hij is ook acoliet in de kerk van het Magdalenaklooster. Een werk dat hij met veel toewijding verricht. Bovendien werkt hij als loopjongen in een ziekenhuis. Hij moet er helpen bij het verplegen van arme zieken en aalmoezen voor hen gaan vragen.

1559-1563 Afwisselend met deze bezigheden begint Juan zijn studies aan het jezuïetencollege in Medina del Campo. Hij leert er schrijven en vindt er vooral leermeesters en boeken. Hij verwerft er een cultuur en leert er de eerste beginselen van de filosofie. In 1563, hij is dan eenentwintig, trekt hij naar het karmelietenklooster te Medina en vraagt er het kloosterkleed van de Karmelorde. Zijn nieuwe naam wordt van dan af Juan de Santo Matfa.
 
  1564-1568. Aan de universiteit van Salamanca
   
Eind 1564 trekt Juan de Santo Matfa naar Salamanca, voor drie jaar universitaire studies. Op dat ogenblik is de universiteit van Salamanca op haar hoogtepunt gekomen. Zoals vele medestudenten volgt de jonge karmeliet er wellicht de theologische conferenties van magister Luis de León, een uitstekend kenner van de Bijbel en een groot poëet. Op het college San Andrés, waar de karmelietstudenten verblijven, leidt Juan een voorbeeldig kloosterleven. Hij verdiept er zich in de Regel van de Orde, bestudeert de Heilige Schrift, de kerkvaders, de scholastieke theologie en het Latijn. Ook zijn artistiek talent en zijn persoonlijkheid zijn in volle ontwikkeling. In april van 1567 kiest het provinciaal kapittel Juan tot studieprefect. Tijdens de zomer van datzelfde jaar wordt hij priester gewijd en gaat naar Medina om er zijn eerste mis op te dragen.
 
  In de ban van La Madre en haar hervorming
   
In september of oktober ontmoet Juan voor de eerste maal „la Madre”. Teresa is dan tweeënvijftig en in volle actie voor haar Hervorming. Juan is in de volle kracht van zijn vijfentwintig jaar. Hij geeft haar zijn voornemen te kennen om naar de kartuizers over te gaan. De hervormster kan hem overtuigen om mee te werken aan haar hervormingsplan voor de paters. Alleszins is het zeker dat Juan teruggaat naar Salamanca, waar hij zich als theologiestudent laat inschrijven.

Tijdens de zomer van 1568 vergezelt hij Teresa bij haar stichting te Valladolid. Hij leert er bij de monialen het leven van de ongeschoeiden kennen. Begin oktober gaat hij naar Duruelo waar een kleine gemeenschap met het hervormde leven begint. Ondertussen is ook Juans naam veranderd, het is nu Juan de la Cruz geworden. Het leven te Duruelo mag je een terugkeer naar de bronnen noemen. Het kleine groepje paters bemediteert er de Schrift, waakt in gebed, beleeft de broederlijke liefde. Vanuit de stilte van hun kloostertje zijn ze ook dienstbaar voor de mensen uit de omgeving.
 
  1569-1572. Geestelijke leider van zijn medebroeders
   
1569 In maart van dat jaar bezoekt Teresa Duruelo. Ontdaan over de aanhoudende zware verstervingen die de paters zich opleggen, vraagt zij hun de gestrengheid iets te matigen, omdat ze vreest dat ze ziek zullen worden.

Op 11 juni 1570 vertrekt de gemeenschap uit Duruelo naar Mancera. In oktober gaat Joannes van het Kruis naar Pastrana om er het noviciaat te organiseren voor de Hervormde Karmel. Na enkele maanden is hij terug in Mancera en ontmoet er Anna van Jezus.

1571 Hij vergezelt Teresa de Jesus voor de stichting van Alba de Tormes. Enige maanden later wordt hij rector benoemd van het eerste studiehuis van de Hervorming in Alcalà de Henares.
 
  1572-1577. „Por confessor un santo”, een heilige als biechtvader
   
1571 La Madre wordt aangewezen als priorin voor het klooster van de Menswording in Avila. De plaats die ze negen jaar eerder verlaten had om met haar hervormingsplannen te beginnen. Moeder Teresia staat voor een zware taak: zorgen voor ongeveer honderddertig monialen. Er moet hulp komen. Zij besluit Joannes van het Kruis als geestelijke leidsman voor haar zusters te vragen. Deze weet geleidelijk aan alle zusters te overtuigen van de inkeer die hun karmelitaanse roeping vraagt. Het is tevens in deze periode dat de wederzijdse geestelijke relaties tussen beide sublieme hervormers hun hoogtepunt bereiken. Het is een tijd van echte verdieping, want juist in die jaren beleeft Teresia de volheid van haar spiritualiteit.

1574 Juan vergezelt Teresia bij de stichting te Segovia. Ondertussen deden de „geschoeide paters” al wat mogelijk was om de expansie van de „ongeschoeiden” af te remmen en zelfs hun afschaffing te bekomen. Ze zagen in de Hervorming een bedreiging voor het voortbestaan van de Orde. Het generaal kapittel van 1575 in Piacenza (Italië) zet orde op zaken en roept een halt toe aan de Hervorming. Op 9 september 1576 woont Juan de la Cruz het eerste kapittel van de Hervorming bij te Almodóvar. Men zet alles in het werk om voor de ongeschoeiden tot een eigen, afzonderlijke provincie te komen, los van de geschoeiden.
 
  1577-1578. De gevangenis van Toledo
   
1577 In de nacht van 2 december wordt Joannes van het Kruis met geweld uit het huisje bij de Menswording gehaald, waar hij als geestelijke leidsman van de zusters zijn intrek had genomen. Hij wordt overgebracht naar het klooster van de geschoeiden in Toledo. Hij wordt er opgesloten in een smalle, donkere, verstikkende kerker. Hier brengt hij negen maanden door zonder met iemand contact te hebben. In plaats van te revolteren of wanhopig te worden en zonder ooit de Hervorming te verloochenen, schrijft hij er gedichten. Deze verzen weerspiegelen de gesteldheid van de gevangene: beelden van pijn, van klachten, voortdurende symboliek van nacht en duisternis :
 
   

Waar houdt Gij U verscholen, Geliefde, die mij achterliet, in stenen?
Mocht, herders, welgezinden,
Ge in 't langs de kooien naar de hoogten zwerven, Bij toeval Hém daar vinden,
Wiens liefde ik niet kan derven,
Zegt Hem, hoe'k wegslink, pijn lijd en moet sterven.
Of ik de Bron ook ken! haar wellen en haar stromen, al is Zij nachtelijk!
Die donkerste der nachten.

   
Gedurende de dagen van het octaaf van Maria-Ten-Hemelopneming lukt het Joannes van het Kruis om uit zijn kerker te ontvluchten. Hij kan zich verbergen bij de ongeschoeide karmelietessen van Toledo. De monialen verzorgen hem zoveel ze kunnen. Nadien verblijft hij een tijd lang in het huis van don Pedro Gonzàlez de Mendoza.
 
  1578-1588. Overste in Andalusië
   
Zijn ziekelijke toestand belet Juan niet de kapittelzitting van 1578 in Almodóvar bij te wonen. Pater Joannes van het Kruis wordt er gekozen als overste te Calvario (Jaén) in het zuiden van Spanje. Op weg naar Andalusië komt hij langs La Penuela. Ook de stichting van zusters te Beas doet hij aan. Daar ontmoet hij opnieuw Anna van Jezus, die er priorin is. Begin november 1578 neemt hij zijn taak als overste op.

1579 Juan onderneemt verschillende reizen om de stichting van een college te Baeza voor te bereiden. Op 13 juni vertrekt hij definitief naar Baeza en wordt er de eerste rector.

1580 Overlijden van zijn moeder in Medina del Campo.

1581 Op 3 maart is hij aanwezig op het kapittel te Alcalá de Henares. De Hervorming is nu bij pauselijke breve een afzonderlijke provincie geworden. Juan wordt tot provinciaal raadslid gekozen. Nadien gaat hij terug naar Baeza. Hij wordt belast met de voorbereiding van een karmelietessenstichting in Granada. Hij reist naar Avila om er Moeder Teresia te overhalen zelf naar Granada te komen. Tevergeefs. Zij heeft reeds besloten naar Burgos te vertrekken voor een stichting aldaar. Het is de laatste keer dat de twee hervormers elkaar ontmoeten.

1582 Samen met Anna van Jezus zorgt Juan voor de stichting in Granada. Zelf wordt hij in de loop van het jaar prior van het klooster „Los Mártires” in Granada. Op 4 oktober, tijdens de langste nacht uit onze geschiedenis — Gregorius XIII hervormt de kalender met het gevolg dat men van 4 oktober naar 15 oktober springt — sterft moeder Teresia. Teresa de Jesus is dan voorgoed bij God.

1583 Joannes van het Kruis woont het kapittel te Almodóvar bij. Hij blijft prior in Granada.

1584 In Granada beëindigt hij de eerste redactie van het Geestelijk Hooglied. Het is tijdens deze jaren dat hij zijn lange geestelijke traktaten verder bewerkt en afwerkt : Bestijging van de Berg Karmel en Donkere Nacht.

1585 Op het kapittel te Lissabon wordt P. Nicolàs Doria tot provinciaal verkozen. Juan wordt provinciaal raadslid. In oktober van dat jaar gaat hij naar Pastrana, waar het kapittel van Lissabon verdergezet wordt. Hij wordt vicaris-provinciaal van Andalusië, met als residentie Granada.

1586 Een jaar waarin hij omwille van zijn verantwoordelijkheden veel moet reizen. We vinden hem in Caravaca, Córdoba, Malaga, Sevilla, Toledo en Madrid.

1587 Tijdens het kapittel te Valladolid wordt hij van zijn taak als raadslid en vicaris-provinciaal ontheven. Hij wordt echter voor de derde maal tot prior van Granada verkozen. Hij schrijft zijn Levende Vlam van Liefde.
 
  1588-1591. Terug in Castilië, lid van de Consulta
   
Van 18 juni tot 11 juli 1588 woont Joannes van het Kruis het kapittel te Madrid bij. Bij pauselijke breve wordende ongeschoeiden een eigen congregatie met aan het hoofd een vicaris-generaal. Pater Nicolas Doria wordt tot dit ambt gekozen. Juan wordt eerste generaal-raadslid gekozen en vervolgens derde raadslid van het nieuwe bestuursorgaan : de Consulta. Tevens is hij ook overste in het generaal huis te Segovia.

1590 In de loop van dit jaar neemt hij deel aan een buitengewoon kapittel in Madrid. Juan verzet zich tegen een aantal maatregelen die pater Doria heeft genomen. Maatregelen die blijk geven van een nogal rigoureus observantisme en eigenlijk tegen de geest van de Hervorming ingaan.
 
  1591. De Metten in de hemel zingen
   
1591 Het generaal kapittel komt opnieuw samen. Joannes van het Kruis krijgt er geen enkele taak toegewezen. Men denkt eraan pater Juan naar Mexico te sturen, maar de omstandigheden verhinderen dit. Uiteindelijk krijgt hij opnieuw Andalusië als bestemming. Juan trekt zich terug in de eenzaamheid van het klooster van La Pehuela. Ondertussen is er een lastercampagne tegen hem opgezet. Na korte tijd begint hij hinder te voelen van lichte koorts, als gevolg van een ontsteking aan zijn rechter been. Op 28 september 1591 gaat Joannes van het Kruis ziek op weg naar Ubeda, om er verzorgd te worden. Daar sterft hij in de nacht van 13 op 14 december.

1593 Zijn stoffelijk overschot wordt overgebracht naar Segovia. 1630 Eerste uitgave van Juans volledige werken in Madrid.

1675 Op 25 januari wordt hij door Clemens X zalig verklaard.

1679 In Alba de Tormes wordt hem een eerste kerk toegewijd.

1726 Op 27 december wordt hij door Benedictus XIII heilig verklaard.

1926 Op 24 augustus roept Pius XI Juan de la Cruz uit tot kerkleraar.
 
    Auteur: Paul De Bois, ocd
   
 

DE MYSTIEK VAN JOHANNES VAN HET KRUIS
 

 

  i Oh noche que juntaste!
0 nacht die eenheid bracht!
   
Hoe de ervaring en de leer van San Juan de la Cruz samenvatten? Wel, het gaat hem om de éénwording van de mens met God. Met niemand kan dat als met Hem. Want God „transcendeert door interioriteit”. God transcendeert d.w.z. : Hij is zo overtreffend anders dan wat of wie ook. Daarom is Hij zo on-(be)-grijpbaar. Daarom lijkt Hij zo afwezig. Maar zie: juist door die transcendentie, door zijn goddelijk anders zijn, is 'Hij als geen ander de mens nabij. „Deus interior intimo meo”, schreef Augustinus (God is mij meer nabij dan ik mezelf). God is inwezig. Hij is 's mensen transcendente interioriteit of innerlijkheid. „Het middelpunt van de ziel is God” (LV,1,12)2.

Inkeren in zichzelf moet de mens dus, maar dan zo diep dat hij door die Ander in Zichzelf wordt binnengehaald. „Wie zich met de Heer verenigt, wordt met Hem één geest”, schreef Paulus in 1 Kor. 6,17. Wie huwen worden volgens Genesis 2,24 „twee in één vlees”. Als God en mens elkander „huwen”, ondervindt en verklaart Joannes van het Kruis, worden ze „twee naturen in één geest en liefde” (GH,22,3). „De ziel is dan immers al één geworden met Hem en tot op zekere hoogte is zij God door deelneming” (LV,3,78).

Laten wij onze „doctor mysticus” zoals Jan van het Kruis wordt genoemd ons dat breder uiteenzetten.
 
  Zoekend en gezocht
   
„Waar hebt Gij U verborgen?” roept de op God verliefde ziel Hem na. Hij was haar overkomen. Zo onverwacht, zo hartbenemend. Meer dan ooit tevoren. Maar toen ze meende eenheid te mogen beleven, was Hij weer weg „Als een hert zijt Gij gevlucht” (GH,1).

Joannes van het Kruis was een geboren dichter. Wat in hem omgaat, verwoordt hij vooreerst in verzen. Proza komt nadien, als mensen uit zijn kring hem uitleg vragen. Zijn symbolen verhullen immers meer dan ze openbaren. Hij verklaart ze welwillend. Toch geeft hij zich niet bloot. Hij legt uit wat een mens meemaakt als hij ingaat op Gods voorkomende genadigheid. „God heeft ons het eerst liefgehad” (1 Joh. 4,19). Daarom : „Als de ziel God zoekt, dan zoekt haar Beminde haar nog veel meer” (LV,3,28).

In het begin van zijn Cántico, zijn Geestelijk Hooglied, lijkt dat niet zo. God is zoek. „Waar hebt Gij u verborgen?” (GH,1). Eerst heeft Hij de ziel gewond van liefde en is er dan vandoor gegaan. Zo lokt Hij haar uit haar tent. Zij snelt Hem achterna. De wijde wereld in. Overal vindt ze sporen van haar God. Maar voetstappen volgen is nog niet het gezicht van de gezochte zien. En de speurtocht gaat verder, onvermoeibaar.

Schoonheid scheppend allerwege, snelde God doorheen de dreven. En waar Hij schreed en waar Hij keek, schonk zijn blik een glans van schoonheid (zie GH,5). Gods scheppen ziet Jan van het Kruis als een kijken van God. Reeds de blik van mensenogen hebben een scheppende kracht. Hij roept iets wakker in de mens die hij bevestigend aankijkt. Maar dan moet er reeds iets sluimerend aanwezig zijn. Als God daarentegen kijkt, ziet Hij wat niet was. Hij tovert het ook ons voor ogen. Niet als een begoocheling maar als een realiteit. God kijkt aan en zie, een mens opent de ogen en kijkt herkennend terug. Hij speurt de trekken van Gods gelaat waarheen hij de ogen maar wendt. Hij voelt zich zelfs versluierd aangekeken door God. God kan dus niet ver zijn. Moed, mijn ziel !

Helaas, schouwend naar zijn schepselen ziet de ziel haar zo gezochte God niet te voorschijn komen. Dat schouwen vermeerdert wel haar kennis van Hem en wakkert haar liefde aan, maar ze lijdt er des te meer onder Hem maar niet te zien opdagen. Zij geraakt steeds meer gewond van liefde en ziek van verlangen. „Ach, wie kan mij genezen? Wil u nu eindelijk gewonnen geven, en mij ook niet meer zenden van nu af aan uw boden, toch niet in staat mij, wat ik wens, te zeggen” (GH,6). „Zij verschaffen mij kennis en gewaarwordingen over U... Tot nu toe kon ik het daarmee uithouden, omdat ik U nog niet zo goed kende en nog niet zo veel van U hield. Nu echter is mijn liefde zo groot dat zij niet meer tevreden te stellen is met deze mededelingen... Schenk U toch aan mij in werkelijkheid door U in uw totaliteit te schenken aan de totaliteit van mijn ziel, zodat mijn hele ziel U mag bezitten in uw totaliteit... Ik, ik houd van U in uw totaliteit, maar die boden kunnen U niet in uw totaliteit aan mij mededelen... Wees Gij dus zelf èn bode èn boodschap” (GH,6,6-7).
 
  Verborgen binnenin
   
De op God verliefde ziel zocht tot nog toe de wereld af. Was zij soms vergeten dat Hij bij haar inwoont? Bij herhaling wijst Jan van het Kruis erop dat God — Vader, Zoon en H. Geest — inwezig is in de mens. „Op verborgen wijze wezenlijk aanwezig in het innerlijke zijn van de ziel” (GH,1,6). „In het centrum en de grond van de ziel d.i. haar pure en intieme substantie” (LV,4,3). Telkens wijst hij er tevens op dat God daar op verborgen wijze aanwezig is. Als de ziel haar geliefde niet vindt, ervarenderwijze, dan komt dat hierdoor: „Wie iets moet zoeken dat verborgen is, moet in het verborgene doordringen tot de verborgen plaats waar het zich bevindt. Als hij het dan vindt, is hij even verborgen als dat ding” (GH,1,9). „Gij handelt dus zeer goed, o ziel, als gij Hem altijd zoekt waar Hij verborgen is. Als gij immers God beschouwt als verhevener en dieper dan alles waartoe gij kunt geraken, dan brengt gij daardoor veel lof aan God en zult gij zeer dicht bij Hem komen. Blijf daarom niet stilstaan of talmen bij datgene wat uw vermogens kunnen begrijpen. Ik bedoel hiermee dat gij nooit uw voldoening moet willen zoeken in wat gij van God kunt begrijpen. Zoek uw voldoening in wat gij van Hem niet kunt begrijpen. Blijf ook in uw liefde en genieting nooit staan bij wat gij van God kunt begrijpen of gewaarworden. Richt uw liefde en genieting op wat gij van Hem niet kunt begrijpen of gewaarworden... God is immers ontoegankelijk en verborgen. Al hebt gij nog zozeer de indruk Hem te vinden, Hem te voelen en Hem te begrijpen, toch moet gij Hem steeds blijven beschouwen als verborgen. Gij moet Hem dienen als verborgen in het verborgene. Wees niet gelijk die talrijke onverstandige mensen, die een geringe dunk van God hebben, die menen dat God verder weg is of meer verborgen als zij Hem niet begrijpen, proeven of gewaarworden. Eerder is het tegendeel waar" (GH,1,12).

De weg waarlangs Joannes van het Kruis God ontmoet loopt doorheen de nacht. Hij voert alle gewone ervaren voorbij. „Om te geraken tot wat ge nog niet smaakt, moet ge gaan langs de weg van het niet-smaken. Om te geraken tot wat ge nog niet weet, moet ge gaan langs de weg van het niet-weten... Om volledig tot het Al te komen, moet ge u volledig van alles ontdoen” (BK,I,13,11). De ascese van Joannes is een mystieke. Het gaat om meer dan een morele heropvoeding van het mensenhart met al zijn roerselen. Er moet een omscholing plaats grijpen. Een omvorming. Anders kan Gods transcendente immanentie niet ontdekt en niet doorleefd worden.
     
  De nacht van het geloof
   
Steunend op de Schrift en op de klassieke theologie wijst onze doctor mysticus de drie zogenaamde theologale deugden: geloof, hoop en liefde, als hét middel aan om met God verenigd te worden. Zij brengen ons in contact met God maar maken ons tevens leeg van wat God niet is. Zo maken zij ons geheel ontvankelijk voor Gods Zelfgave. Zij brengen ons doorheen het niet tot het Al. Van de drie theologale deugden biedt het geloof het basisgegeven en staat al eens in de uiteenzettingen van Sint Jan van het Kruis als een synthese van alle drie.

Door het geloof nemen we de verkondiging voor waar aan. Het geloof richt ons echter doorheen alle formuleringen heen op God. Met die zo geviseerde God geeft het geloof zelfs een werkelijkheidscontact. Geloven is Gods transcendente immanentie doorleven. Dat is de mystieke dimensie van ieder geloof. Onze doctor mysticus is daar begrijpelijk zeer door geboeid. Hij wijdt daar veel bladzijden aan. Het mystieke leven zal niets anders zijn dan de ontplooiing van dat initiaal gegeven.

Een begin van mystiek contact met God lijkt zelfs ieder mens te hebben. In die richting wijzen o.a. volgende woorden : „Het goddelijk licht van Gods Wezen dringt krachtens zijn natuur voortdurend in de ziel door, of beter gezegd, het woont in haar” (BK,II,5,6). „Als de zuivering en de ontlediging van de ziel volledig is met betrekking tot de vatbare vormen en beelden, dan is het dus duidelijk dat de ziel zal rusten in dit zuivere en enkelvoudige licht. Zij zal daardoor omgevormd worden tot de toestand van volmaaktheid. Dit licht immers ontbreekt nooit in de ziel. Maar door de vormen en omhulsels, waarmee het geschapene de ziel omhult en hindert, dringt het niet in haar door. Wanneer deze obstakels en omhulsels helemaal wegvallen en de ziel achterblijft in pure naaktheid en armoede van geest, dan wordt zij, enkelvoudig en zuiver als zij is, onmiddellijk omgevormd in de enkelvoudige en zuivere wijsheid die de Zoon van God is. Want als aan de ziel, die in liefde is ontstoken, het natuurlijk voorwerp ontbreekt, dan stroomt het goddelijke op natuurlijke en bovennatuurlijke wijze in haar binnen. Er kan immers geen leegte blijven in de natuur” (BK,II,15,4). Als de geest zich dus vrijmaakt van de veelvuldige indrukken
van de schepselen en van de beelden en gedachten, dan wordt hem ontdekt wat er altijd al was : de eenvoudige volheid van het Godscontact. Vooreerst het Godscontact de mens van nature eigen, meteen als hij in genade is, het bovennatuurlijk contact met de Drieëne.

Soms lijkt het erop dat die ontlediging voor een mens van goede wil binnen handbereik ligt. „Als de ziel zich op deze manier ontledigt van alle dingen en zodoende met lege handen staat en zonder eigendom — dit is wat de ziel kan doen, zoals wij gezegd hebben — dan is het onmogelijk dat, waar de ziel het hare heeft gedaan, God zou nalaten het zijne te doen, namelijk Zichzelf mededelen aan de ziel, minstens in het geheim en in stilte. Dat is nog minder mogelijk dan dat de zon niet zou schijnen aan een serene en wolkenloze hemel. Immers zoals de zon 's morgens opgaat om in uw huis te schijnen, als ge maar de vensterluiken opent om ze binnen te laten, zo zal God binnenkomen in de ziel die ledig is... Als een zon staat God boven de zielen om Zich aan hen mede te delen” (LV,3,46-47). Zeker, de mens moet de weg van de transcendentie opgaan zo ver als hij kan, maar de top van de berg van de Godsontmoeting bereikt hij toch niet op eigen kracht. Een speciale genadewerking moet hem omhoogheffen, Gods transcendentie binnen.

Dat komt ook aan het licht als Jan van het Kruis uitlegt hoe het geloof de naaste weg is tot de vereniging. Even lijkt het erop dat het geloof volstaat. „Immers wat wij met dit schrijven uiteindelijk op het oog hebben en waar wij naartoe willen, zijn deze gunsten. Het is de goddelijke toenadering en vereniging van de ziel met de goddelijke Zelfstandigheid. Dat zal moeten gebeuren als wij de mystieke en confuse of donkere kennis behandelen. Dit moet nog gebeuren en wel daar waar wij bespreken hoe God door middel van de liefdevolle en donkere kennis één wordt met de ziel in een verheven en goddelijke graad. Deze liefdevolle donkere kennis, het geloof, staat in dit leven immers enigszins in dienst van de vereniging met God zoals het licht der heerlijkheid in het andere leven als middel dient voor de heldere aanschouwing van God” (BK,II,24,4).

Hoewel de theologie van het geloof ons leert dat daarin reeds een begin van mystiek contact met God meegegeven is, blijkt uit het gehele oeuvre van onze doctor mysticus dat alleen een toegevoegd inlichten Gods het ervaren geeft waartoe hij ons wil brengen. Een wolkendek van beelden en begrippen verhindert Gods zon te zien. Gods zon moet echter zelf de wolken door een extra warm schijnen doen verdampen. Dan wordt het geloof een verlicht geloof en pas dan treedt contemplatie in zoals Jan van het Kruis deze verstaat. Dat is een groeiend gebeuren. Als de ziel de volle vereniging met God verkrijgt, dan spreekt onze heilige van een fe ilustradisima, een zeer verlicht geloof (LV,3,80)
 
  De berg is zo hoog en het pad zo smal
   
Of God aan ieder mens dat bijzonder licht geeft dat hem schouwend één maakt met Hem, wordt door Joannes van het Kruis niet eensluidend beantwoord. In het boek van de Donkere Nacht antwoordt hij met een categorisch neen: ,,Niet allen die zich met opzet toeleggen op de weg van de geest, worden door God tot de beschouwing verheven, zelfs niet de helft van hen; het waarom daarvan weet Hij" (DN,I,9,9). Elders komt eerder de overtuiging naar voren dat wie stapsgewijze ingaat op Gods voorkomende genade, niet op zijn honger zal blijven. Niet alsof allen zullen mogen meemaken wat onze heilige geschonken werd. Van bepaalde hoge belevingen zegt hij dat uitdrukkelijk en geeft er ook een reden voor op: „Weinig zielen geraken hiertoe. Maar er zijn er die zo ver gekomen zijn. Dat waren vooral degenen, wier kracht en geest moest uitdijen over de zonen die na hen komen. Bij deze eerstelingen van de geest gaf God immers overvloedige rijkdom en kracht aan het hoofd, in overeenstemming met het groter of kleiner getal van degenen die later kwamen en moesten teren op de leer en de geest van de eersten” (LV,2,12).

De Karmelberg, symbool van de geestelijke vereniging, is niet een berg maar een gebergte. Veel hoogten dus. Maar de meesten van ons zijn tot veel hoger geroepen dan ze durven dromen. Zo'n top beschrijvend, roept onze geestelijke gids uit: „Voor zo iets verhevens zijt gij geschapen, zielen, hiertoe zijt gij geroepen. Wat doet gij nu? Waarmee houdt ge u bezig? Uw pretenties zijn laag en uw bezit ellende” (GH,39,7).
 
  In lijden ligt verblijden
   
Dat wij niet zo hoog geraken als God voor ons droomt, komt door ons gebrek aan edelmoedigheid. De weg naar de top is altijd een smal pad. Via een veelvuldig nada naar het unieke todo. Ook al betekent zulks nog niet in alle opzichten een materiële beroving, dan toch een innerlijk vrij worden van alles door onthechting. En lijden kunnen wij hierbij niet uit de weg gaan. „Hier moeten wij de reden aangeven waarom er slechts zo weinigen komen tot dit verheven stadium van volmaaktheid in de vereniging met God... Zij willen wel... maar wensen niet geleid te worden langs de weg van de volmaakten die een weg van wederwaardigheden is. Zij willen er zelfs niet de eerste stap op zetten. Zij onttrekken zich immers aan het geringste, aan datgene wat iedereen gewoonlijk moet lijden... Wij moeten God zeer gediend hebben, wij moeten om Hem zeer geduldig en standvastig zijn geweest... opdat God ons de grote gunst zou bewijzen ons meer innerlijk te beproeven om ons te overladen met gaven en verdiensten... Daarom moet de ziel het op hoge prijs stellen, wanneer God haar in- en uitwendige wederwaardigheden zendt. Zij moet begrijpen dat er slechts heel weinigen zijn die verdienen door lijden tot volmaaktheid te komen en die mogen lijden om te komen tot zo'n verheven toestand” (LV,2,27-30).

Onze heilige schrijft dat uit ondervinding. Uit liefde tot de Gekruisigde koos hij zich de kloosternaam Juan de la Cruz. In beproevingen — en die zijn in zijn leven niet gering geweest — zag hij de kans in het lijden van zijn Christus te delen. Toch is ook hij geen droevige heilige. Wie zei ook weer : „Un saint triste est un triste saint !”. Het aantal bladzijden over de vreugde in de Heer overtreffen ver die over het lijden. Zie hier een typisch sanjuanistische zin: „Ge zoudt dit als een groot geluk beschouwen terwijl gij ziet dat gij, zo stervend aan de wereld en aan uzelf, zoudt leven voor God in de genoegens van de geest” (LV,2,28). Onder die beproevingen nu zijn er van uitgesproken mystieke aard. Zij behoren wezenlijk tot wat Jan van het Kruis aanduidt met Noche Oscura — Donkere Nacht.

Het inlichten Gods, dat het geloof zal schouwend maken en de liefde verenigend, wordt allereerst ervaren als verduisterend en verwijderend. Dat ligt niet aan het licht. Het is de mens die vooralsnog moreel en psychologisch onaangepast is. „De ziel moet immers komen tot het bezit van een goddelijk aanvoelen en een zeer edelmoedig en genotvol inzicht in alle goddelijke en menselijke dingen... Daarom dient de geest verfijnd te worden. Hij moet afgesneden worden van zijn gewoon en natuurlijk aanvoelen. Daarom moet hij door middel van deze louterende beschouwing terechtkomen in een toestand van hevige angst en benauwenis” (DN,II,9,5). Er is echter een grote variatie in de intensiteit en de duur van deze louterende nachten. En God gaat ook geleidelijk aan te werk (lees: DN,I,14,5).
 
  Van meditatie naar contemplatie
   
Sint Jan van het Kruis heeft in zijn werken niet uitsluitend maar toch hoofdzakelijk aandacht besteed aan het gebedsleven. De aanhef van de verklaring van zijn Geestelijk Hooglied zegt het uitdrukkelijk: „Verklaring van het gedicht dat de wederkerige liefde tussen de ziel en haar Bruidegom Christus bezingt. Hierin worden enkele punten en uitwerkingen van het gebed vermeld en verklaard”. Een bijzonder verdienstelijke bijdrage aan de theologie van het gebed levert onze mysticus waar hij de overgang behandelt van meditatie naar contemplatie. Meditatie noemt hij iedere wijze van bidden waarin de mens, hoewel niet zonder de bijstand van de H. Geest, nog zelf werkend is. Mediterend poogt de biddende mens tot religieuze inzichten te komen en de daaraan beantwoordende gevoelens op te wekken en de gepaste besluiten te treffen. Velen — en sommigen al heel spoedig — ondervinden dat ze daarmee niet blijvend kunnen doorgaan. Zij komen in een groeiende dorheid terecht. Zij voelen zich daarin door God verlaten en krijgen daardoor schuldgevoelens. Pijnlijke fase ! Vooral als ze geen goede begeleiding vinden. Een reden voor onze doctor mysticus om naar de pen te grijpen (zie Prol. BK).

De reden van deze onmacht bij het bidden is een influenza secreta, een geheime invloed van de H. Geest. Deze verlamt de zelfwerkzaamheid van de mens tijdens het bidden. De bidder zal een houding moeten aannemen (aanleren) van ontvankelijkheid. „De zuivere beschouwing bestaat in het ontvangen” (LV,3,36). Dat goddelijk ingrijpen is in het gewone geval niet zo overweldigend. Daarenboven ervaart de bidder aanvankelijk eerder beroving dan vervulling. Daarom geeft Jan van het Kruis drie tekens of symptomen aan om uit te maken dat niet een lauw of zondig leven ofwel een ziekte of depressie de oorzaak is van die malaise maar een andersoortig bidden. Dat wat onze doctor mysticus contemplatie noemt.

In DN,I,9 duidt hij de drie tekens als volgt aan. Vooreerst vindt men geen smaak meer in God maar ook niet in iets geschapens. Men is tevens erover bezorgd dat men vervreemd raakt van God. Tenslotte ondervindt men dat gebed op basis van pakkende gedachten, aangrijpende beelden en vrome gevoelens niet meer gaat. Dat is wel niet altijd even erg maar het neemt met de tijd toe. Ook in BK,II,13 somt hij drie tekens op die samen genomen uitsluitsel moeten geven. ,,Het derde en zekerste teken bestaat hierin dat de ziel graag in een toestand verkeert van eenzaamheid en liefdevolle aandacht voor God; en dit zonder enige bijzondere overweging, in innerlijke vrede, rust en ontspanning, zonder activiteit en inspanning van de vermogens, geheugen, verstand en wil — tenminste zonder redenerende werkzaamheid, waarbij men van het ene punt naar het andere gaat — maar alleen in een toestand van algemene, liefdevolle oplettendheid en aandacht... zonder enig bepaald begrip en zonder uitdrukkelijk te weten waarover het gaat" (BK,II,13,4). In het begin heeft de biddende mens er nog moeite mee de juiste houding te vinden. Hij zoekt nog te veel het tastbare van vroeger. „Deze onbepaalde kennis is soms zo fijn en teer dat de ziel, ook al is zij ermee bezig, niet in staat is ze te zien of op te merken. Dit is des te meer het geval naarmate die kennis zuiverder, eenvoudiger, volmaakter, geestelijker en inwendiger is” (BK,II,14,8). „Zelf doet de ziel niets tenzij haar aandacht liefdevol op God gericht houden zonder iets te willen voelen of zien. In deze toestand wordt God op passieve wijze aan haar meegedeeld. Zo wordt ook aan iemand die de ogen open houdt, het licht op passieve wijze meegedeeld, zonder dat hij iets anders doet dan de ogen open houden” (BK,II,15,2). Doorgaans is het echter niet zo dat men ineens constant in contemplatie wordt gesteld. Men moet nog wel eens terugkeren naar een overigens gematigd mediteren. Wie er echter toe geroepen wordt, zal de contemplatie zien de overhand halen. De kennis die in de contemplatie aan de mens geschonken wordt, karakteriseert onze mysticus als confusa y general. De kennis die de meditatie verwerft, is er een in beelden en begrippen en daardoor versnipperd en beperkt tot dit of dat aspect. In de contemplatie daarentegen ontvangt de mens een kennis van God buiten alle beelden en begrippen om. Daarom is ze niet afgegrensd (confusa) en alomvattend (general).
 
  God door deelneming
   
Naarmate de louterende en verlichtende invloed van God en de vrije en edelmoedige volgzaamheid van de mens toenemen, groeit deze naar de vereniging met God. Het geloof wordt steeds meer verlicht en de liefde alsmaar zuiverder gloed. De bruid van het Cantico mag met haar Heer een mystieke verloving aangaan, later een geestelijk huwelijk. Wat volgens de Schrift van ieder mens in genade mag gezegd, wordt op een pregnante manier in haar verwezenlijkt. Volle uitbloei van het genadeleven.

„De ziel is nu immers al één geworden met Hem en tot op zekere hoogte is zij God door deelneming. Ofschoon nog niet zo volmaakt als in het andere leven, is het toch, zoals wij zeiden, als een schaduw van God. Omdat de ziel door die substantiële omvorming een schaduw van God is, doet zij op die manier in God door God wat Hij in haar doet door Zichzelf en wel op de manier waarop Hij het doet. Hun beider wil is immers één. Dus is ook de activiteit van God en die van de ziel één. Zoals God Zich aan haar geeft met vrije en genadevolle wil, zo geeft ook zij, omdat haar wil des te vrijer en edelmoediger is naarmate hij meer met God verenigd is, God aan God zelf in God. Het is de waarachtige en ongedeelde gave van de ziel aan God... Wat haar wil betreft, geeft zij Hem zoveel terug als zij van Hem ontvangt” (LV,3,78).

„Bij wijze van ademhaling heft de Heilige Geest de ziel op zeer sublieme wijze omhoog met zijn goddelijke ademtocht. Hij bezielt haar en maakt haar geschikt om in God dezelfde toeademing van liefde te voltrekken, die de Vader ademt naar de Zoon en de Zoon naar de Vader. Aldus wordt bij deze omvorming de Heilige Geest haar toegeademd in de Vader en de Zoon om haar één te maken met God. Er zou immers geen sprake kunnen zijn van waarachtige en totale omvorming als de ziel niet omgevormd werd in de drie Personen van de Allerheiligste Drievuldigheid op een wijze die openbaar en manifest is" (GH,39,3). Opvallend is hoe Jan van het Kruis hierbij beroep doet op woorden van de Schrift die eigenlijk voor ieder christen, die naam waardig, gelden. Zo: „Omdat gij zonen zijt, heeft God de Geest van zijn Zoon neergezonden in uw harten en Deze roept naar de Vader” (Gal. 4,6). Hij merkt daarbij op: „Dit geschiedt bij de Zaligen in het andere leven en bij de volmaakten in dit leven op de beschreven wijzen" (GH,39,4). Het hoogste mystieke leven is dus volgens hem niets anders dan een volkomen openbloeien van de genade van het doopsel.

Daaruit volgt nog niet dat allen het op die manier gaan beleven waarop Joannes van het Kruis het beschrijft. „Weliswaar kan een ziel volgens haar geringe of grote ontvankelijkheid tot vereniging gekomen zijn, maar dit geschiedt niet voor allen in dezelfde mate, want dit gebeurt zoals de Heer het ieder wil geven. Het gebeurt op dezelfde wijze als men Hem in de hemel ziet. Sommigen zien meer, anderen zien minder, maar allen zien God en allen zijn tevreden, omdat hun ontvankelijkheid voldaan is. Daardoor komt het dat men ook in dit leven sommige zielen vindt met gelijke vrede en rust in de toestand van volmaaktheid, en ieder is voldaan. Maar met dat alles zal de ene veel trappen hoger verheven kunnen zijn dan de andere en toch kunnen beiden even voldaan zijn, omdat hun ontvankelijkheid voldaan is”. De heilige voegt er waarschuwend en bij wijze van besluit aan toe: „Maar de ziel die niet tot die zuiverheid komt welke in overeenstemming is met haar ontvankelijkheid, komt nooit tot de ware vrede en voldoening. Zij is immers niet gekomen tot het bezit van die ontbloting en leegte in haar vermogens, welke vereist worden voor de enkelvoudige vereniging” (BK,II,5,10-11).
 
   

„Als ge bij iets blijft stilstaan,
werpt ge u niet met hart en ziel op het Al.
Om volledig tot het Al te komen,
moet ge u volledig van alles ontdoen.
Als ge eenmaal volledig tot het bezit komt van het Al,
moet ge het vasthouden zonder iets anders te willen.
Als ge immers in het Al nog iets aparts wilt bezitten,
houdt ge God niet voor uw zuivere schat”
(BK,I,13,12).
 

    Auteur: Jan Lammens, ocd
   
Overzicht gebruikte afkortingen
:
GH: Geestelijk hooglied
BK: Bestijging van de Berg Karmel
DN: Donkere Nacht
LV: Levende Vlam van Liefde
   

Copyright ©  Vlaamse Karmel
Burgstraat 46
9000 Gent
Tel: 032 (0)9/225 57 87