Soms is een zuster niet ingeschakeld in de werkzaamheden. Immers, eenmaal per jaar, gedurende 10 dagen, trekt ze zich terug in de kluis om er in eenzaamheid en afzondering te bidden. Het is ook een tijd waarin de schoonheid van de natuur haar helpt om de Heer te loven en te prijzen.
   

Tijdens de daaropvolgende avondgetijden bidden de zusters in naam van heel de Kerk. Daarop volgt een uur stil gebed. De zuster zoekt in liefde naar de nabijheid van de Heer in haar hart. Een beeld of prentje kan hierbij een goed hulpmiddel zijn. Na een tijd gaan de woorden van gebed meer en meer over in momenten van levende stilte, in een minnend aanwezig zijn. Jezus roept ons om biddend in Hem te blijven. Vanuit die stille dialoog met Hem groeit een houding van liefdevolle overgave.

 

   
  Na het Angelus wordt elke zaterdag het Salve Regina gezongen ter ere van Maria. Met Maria, de Moeder van Jezus, die alles in haar hart bewaarde en bij zichzelf overwoog, voelt elke zuster zich verwant. Dagelijks overweegt ze in het rozenkransgebed, samen met Maria, ook de mysteries van Jezus' leven.
   
  Vervolg